Wensdroom van Britten werd tot nachtmerrie

De financiële nood onder Britse huiseigenaren - en voormalig huiseigenaren - door de recessie is hoog. Morgen houdt minister Norman Lamont van financiën zijn herfsttoespraak over de Britse staatshuishouding. Mogelijk biedt de overheid woningzoekenden nog enig soelaas.

De boer bij ons op de hoek, ergens in het golvende landschap van the Weald of Kent, had het, dacht hij, zo mooi bekeken. Drie jaar geleden nog was hij object van bewondering door de buren. Nu wordt hij besproken als had hij een besmettelijke ziekte. David J. heeft alles verloren in de recessie en dezer dagen wordt zijn boerderij, daterend uit de zeventiende eeuw en generaties lang in de familie, geveild door de bank. David J. wordt daarmee één van de tienduizenden slachtoffers van de grote huizenillusie in Engeland en Wales.

De vrijgezellen-boer behoort tot die categorie Britten die in de boom-jaren tachtig dacht dat huizenprijzen zouden blijven stijgen. Dezelfde bank die nu zijn boerderij in beslag heeft genomen en daarmee ook Davids oude moeder thuisloos maakt, moedigde hem aan in die gedachte. Ze leende David J. met graagte het geld om op een stuk van zijn land met liefelijk uitzicht drie nieuwe huizen neer te zetten. Het was de tijd dat banken over elkaar struikelden om cliënten krediet te verlenen: eerst voor een hypotheek, daarna voor de aanschaf van de inboedel, de luxueuze extraatjes en desnoods ook nog de auto. Huizenprijzen bereikten krankzinnige hoogten: een half miljoen voor een "bezemkast', pal tegenover het warenhuis Harrods in Londen, was geen enkel bezwaar.

In 1989, toen wij Davids buren werden, stonden zijn drie huizen te koop voor 340.000 pond (circa 1 miljoen gulden) per stuk. Toen begon de recessie en zakte de huizenmarkt in. David bracht zijn bezit onder bij steeds meer makelaars en een woud van For sale borden, in alle kleuren, moest de toerende passant in het weekeinde opmerkzaam maken op dit stukje landelijke idylle, zo'n half uur sporen van hartje Londen.

Drie jaar lang bleven alle drie huizen onverkocht. De vraagprijs is nu gezakt tot onder de 235.000 pond, de makelaarsborden zijn scheefgezakt van ouderdom en nog zijn er geen kopers. De bank wil zijn geld en zijn onderpand terug: én de huizen én de boerderij zelf. Voor de buurt is het project een soort recessie-graadmeter geworden: wat gaat de boerderij opleveren? En zal de bank de huizen kwijt kunnen en zo ja, tegen welke prijs?

Het verhaal van David J. is een wel heel extreme illustratie van een van de schrijnendste gevolgen van de recessie: de financiële nood van huiseigenaren in dit land. Naar berekening van de Bank of England is één op de tien huiseigenaren, ofwel in totaal anderhalf miljoen, gevangen in een "schuldklem'. Het gaat om bewoners van een eigen huis, die een hypotheek aflossen op een huis dat na aankoop zover in waarde is gedaald, dat verkoop ervan de hypotheek niet meer kan aflossen.

De gemiddelde waardedaling over het afgelopen jaar bedroeg 6 procent, de verwachte waardedaling over het komende jaar bedraagt ten minste 5 procent. De gemiddelde prijs van een huis in Groot-Brittannië is 53.000 pond (na de recente devaluatie van het pond: circa 140.000 gulden). Een huis van die waarde is sinds oktober 1991 zo'n vierduizend pond in waarde gedaald. Geraamd wordt dat twee derde van alle mensen die sinds de piek van de markt in 1988 voor het eerst een huis kochten in het voorheen welvarende zuid-oost Engeland, door die waardedaling zijn getroffen.

Het is dan ook geen wonder, zeggen experts, dat er van de door de regering veelal voorspelde “door de consument geleide opleving uit de recessie” geen sprake kan zijn. De Britse consument is bang: eerst voor zijn baan, dan voor zijn huis en uiteindelijk voor zijn eigen voortbestaan en dat van zijn familie.

Pag 18: Betaalbare nieuwbouw kan deel Brits woningprobleem oplossen; Tienduizenden konden de hypotheek niet meer aflossen

De uitspraak "my home is my castle' ligt hier niet zomaar in de volksmond bestorven. De gemiddelde Engelsman heeft altijd als hoogste wens het bezit van een eigen huis gehad. De eeuwige borden met For sale, die altijd al opvielen aan buitenlanders die Engeland bezoeken, hebben alles te maken met de omstandigheid dat iedereen die jong op de eigen huis-roltrap stapt, verwacht in zijn leven zo'n keer of vijf te verhuizen - en elke keer om er een beetje beter van te worden.

In die sfeer vervulde Mrs. Thatcher de droom van duizenden working class-kiezers, door het hun mogelijk te maken ook aan deze vorm van rijkdomverwerving deel te gaan nemen. Mede in een poging de macht te ontnemen aan vaak ineffectieve (Labour-)gemeentebesturen, propageerde de Conservatieve regering op grote schaal de verkoop van gemeente-huurwoningen aan hun bewoners. Meer dan één miljoen gemeentewoningen vonden een eigenaar-bewoner; het eigen woningbezit steeg in de tien jaar van 1980 tot 1990 van 57 procent tot bijna 70 procent, één van de hoogste gehaltes in de ontwikkelde wereld.

Voor de gemiddelde Brit is daarom zijn huis zijn grootste bron van individueel vermogen. Aan dat vermogen wordt door de recessie getornd, nadat een generatie lang de huizenprijzen alleen maar elk jaar waren gestegen. Het is dus geen wonder dat minister Norman Lamont in de aanloop tot zijn herfsttoespraak over de overheidsuitgaven, morgen, gesmeekt is "iets' te doen aan de stagnatie op de huizenmarkt.

Sedert de recessie begon te bijten, hebben bijna drie miljoen Britten hun baan verloren. Mensen die in de het-kan-niet-op-jaren-tachtig net een huis hadden gekocht met geleend geld, werden getroffen door stijgende (hier bijna altijd per jaar variabele) hypotheekrentes, opgestuwd door het beleid van de regering om met hoge bankrentes zo'n 10 procent inflatie uit een oververhitte economie te persen.

Eerst duizenden, nu tienduizenden kwamen in moeilijkheden en konden de hypotheek niet meer aflossen. Dezelfde banken die eerst zo gretig met hun kredieten hadden klaargestaan, bleken bangelijk en later onvermurwbaar. Wie na een half jaar nog geen regeling had weten te treffen om uit zijn financiële moeilijkheden te komen, moest zijn onderpand inleveren en zijn huis uit. Het gevolg: lokale overheden zijn overspoeld met kandidaten voor slechts mondjesmaat voorhanden sociale huisvesting. Het tweede gevolg: banken bleven zitten met in waarde dalend onroerend goed, dat ze ook zelf aan de straatstenen niet kwijt kunnen.

De schatting is dat de Britse bankwereld door dit beleid naar schatting zes miljard pond in ongedekte leningen heeft uitstaan en dat ze tot nu toe twee miljard pond heeft verloren aan niet-terugbetaalde schulden en inbeslagnames. Dat gebeurt op een moment dat de door de Derde Wereld niet-afgeloste leningen aan die zelfde banken nog nauwelijks uit het collectief geheugen in dit land zijn verdwenen.

Het lot van families die hun koophuis moesten verlaten omdat de bank haar onderpand opeiste, is de afgelopen anderhalf jaar in alle toonaarden in de Britse pers beschreven. Veel aandacht was er voor een lokale notabel op het Eiland Wight, die zijn Georgian mansion onder toezicht van de deurwaarder leegruimde en met zijn familie naar een plaatselijke Bed & Breakfast vertrok, op kosten van de gemeente. Dergelijke B&B-hotels, met hele families in één kamer, vormen al jaren een plaats voor noodopvang ten behoeve van gemeentes, die na de gedwongen verkoop van het gemeentelijk woningbestand niet voldoende huurhuizen overhebben om noodgevallen onder te brengen. De waanzin is dat langdurig onderbrengen van families in dergelijke hotels - soms voor periodes van twee tot drie jaar - de gemeentes kapitalen kost. Alleen de deelgemeentes in Londen al geven gezamenlijk naar schatting honderd miljoen pond per jaar uit aan het onderbrengen van noodgevallen (voornamelijk éénoudergezinnen) in B&B-hotels. Afgezien van de sociale onwenselijkheid van dergelijke huisvesting: dat zelfde geld zou beter in nieuwbouw van betaalbare huurwoningen kunnen worden gestoken.

In dezelfde jaren tachtig, waarin oudere gemeentewoningen op aandrang van de regering-Thatcher aan hun langdurige bewoners werden verkocht, daalde de nieuwbouw van het aantal gemeentelijke huurwoningen van 104.000 naar 22.000. Het merendeel van het nu overgebleven gemeentelijk woningbestand in dit land heeft in grote steden meestal de vorm van sociaal gestigmatiseerde flatgebouwen, getto's voor (zwarte) armen, waar vandalisme en geweld hoogtij vieren en waar kinderen opgroeien voor galg en rad. Cijfers spreken duidelijke taal: het aantal uitkeringsgerechtigden in gemeentehuurwoningen ging in de periode 1979-1987 omhoog van 40 procent naar 63 procent en zal nu mogelijk de 80 procent naderen.

Het huisvestingsdrama is daarmee niet compleet: 80 procent van de 23-jarigen in dit land woont - noodgedwongen - nog thuis. De organisatie voor daklozen, Shelter, zegt dat drie miljoen mensen een eigen huis nodig hebben. Voor een toenemend aantal jonge mensen, psychiatrische patiënten en alleenstaanden is een kartonnen doos op straat de enige huisvesting die ze zich kunnen permitteren. Meer dan achtduizend daklozen slapen rough, van wie 2300 alleen al in Londen.

Op de regering wordt nu van alle kanten pressie uitgeoefend om grootscheepse nieuwbouw van huurhuizen te stimuleren. Daardoor zou ze een mes hanteren dat aan twee kanten snijdt: het zou de bouwbedrijven uit het slop halen, en het zou woningzoekenden (onder wie voormalige eigenaar-bewoners) een betaalbaar alternatief geven.

Eén van de manieren waarop de regering dat in een tijd van krappe financiën kan doen, is door gemeenten toestemming te geven het geld te gebruiken dat ze in de jaren tachtig aan de verkoop van hun woningbestand hebben verdiend. Dat geld staat nu op de bank. Een andere suggestie is het afschaffen of naar vermogen toedelen van de bestaande hypotheekaftrek. Die is weliswaar al jaren op hetzelfde peil bevroren (tot 30.000 pond), maar kost de schatkist nog altijd zo'n acht miljard pond per jaar aan gederfde inkomsten. Minister Lamont, zeggen critici, zou morgen moeten aankondigen dat ook dat geld voortaan wordt besteed aan de financiering van betaalbare huurwoningen.