Spijkerbroekenethiek

San Francisco - Onder aan één van de kleurrijk bebouwde heuvels van San Francisco staat een houten gebouw waar cowboys zonder cultuurschok hun spijkerbroeken kunnen kopen. Als cowboys nog bestonden. Het is de oude fabriek van Levi Strauss. De maker van de indigoblauwe wereldkleding heeft zijn oergebruikers overleefd. De familie Haas, eigenaar van de firma met het zorgvuldig bewaakte merk van de exclusieve broek-voor-iedereen, heeft een nieuwe voortrekkersrol bedacht: marktleider worden in de ethiek van het zakendoen.

Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn, maar Dick Elsworth, hoogleraar management aan de Claremont Graduate School in Zuid-Californië, beaamt dat Levi Strauss verder gaat dan andere bedrijven. De uit 1850 daterende spijkerbroekenfirma heeft niet alleen sinds anderhalf jaar een gedragscode, maar getroost zich ook grote moeite en kosten om de naleving daarvan af te dwingen.

“Voor ons is het een een deposito op de bank van goede wil”, zegt Robert Dunn, vice-president van de spijkergoedgigant. Zelf draagt hij op zijn vrije zondag een geel-beige jack dat gemaakt is van speciaal in die kleur in Texas gekweekte katoen die niet geverfd hoeft te worden; het milieu vaart er wel bij. Als jurist en oud-medewerker van president Carter heeft hij evenveel overtuiging als oog voor detail gestopt in de totstandkoming van Levi's "Terms of engagement and Guidelines for country selection'.

Hij beaamt dat het iets makkelijker was in een familiebedrijf een zwaar accent op ethisch zakendoen te leggen dan bij een publieke NV. Levi's is een aantal jaren op de beurs genoteerd geweest, maar de familie kocht het bedrijf terug en geniet er van dat Wall Street geen eenzijdige aandacht voor korte termijn-winst meer kan afdwingen. Volgens Dunn betekent dat niet dat beursfondsen zich niet zouden kunnen veroorloven duidelijke regels van verantwoord handelen na te leven.

Een onderzoek door James Burke, voormalig president-directeur van Johnson & Johnson (produkten voor onder andere babybilletjes), leverde tien jaar geleden al de conclusie op dat zakendoen met een zekere ethische betrokkenheid, geld oplevert. Het rendement van vijftien grote Amerikaanse bedrijven-met-een-code was in dertig jaar gemiddeld 12,5 procent geweest, tegen vijf procent voor het Dow Jones-gemiddelde over dezelfde dertig jaar.

Levi zegt dat ethisch zakendoen een basisdoelstelling is en neemt voor lief dat de winstmarge daardoor tijdelijk kan dalen. Het bedrijf helpt toeleveranciers soms financieel om te kunnen voldoen aan normen voor veiligheid, hygiëne en milieu. Lokale miniumumlonen moeten worden gerespecteerd. De bedrijfscode schrijft ook voor dat geen kinderen onder de veertien mogen worden ingezet (een milde norm, die in sommige verre landen tot problemen leidt; Levi betaalt dan keuringsartsen die op statistische gronden meten of werknemers niet te jong zijn).

Levi's heeft meer dan eenendertigduizend werknemers in de wereld, die ongeveer de helft van de produktie voor hun rekening nemen, de rest komt van onderaannemers die de code ook moeten naleven. De omzet van het bedrijf was vorig jaar 4,9 miljard dollar, de winst 772 miljoen. Dat schept verantwoordelijkheden die geen hobbyisme toelaten. Dat is moreel bewust zakendoen volgens Dunn ook allerminst. Het is een verzekering tegen slecht nieuws, zoals onlangs toen een Amerikaans tv-nieuwsprogramma aan het licht bracht dat een toeleverancier in het Amerikaanse gebiedsdeel Saipan (bij Guam) zeven dagen per week elf uur liet zwoegen. Levi las de eigen code, die op dit punt negentiende eeuws is door een werkweek van "niet langer dan zestig uur' te accepteren, en kapte de banden met de fabriek in kwestie.

Vijf procent van de vierhonderd toeleveranciers uit in totaal vijftig landen zijn zo geschrapt, twintig procent moet nog verbeteringen aanbrengen in de arbeidsomstandigheden. Levi's betrekt op grond van de eigen richtlijnen niets meer uit Birma, heeft Peru opgeschort en is in zee gegaan met Indonesië, Guatemala, Columbia, El Salvador en Zimbabwe. Over China wordt binnenkort een beslissing genomen.

Dit alles noemt Dunn een onderdeel van Levi's "corporate citizenship', burgerschap door het bedrijfsleven. Een verrassende term, die aansluit bij het hernieuwd zoeken in Westerse landen naar een actieve rol van de onderdaan in een democratische samenleving. Bedrijven zijn in die visie evenzeer onderdaan als burgers van vlees en bloed.

In Frankrijk en Duitsland speelt het begrip burgerschap nog een beperkte rol, maar in Groot-Brittannië is herleving van rechten en plichten van de burger het favoriete niet-economische thema van de regering-Major; het Citizen's Charter is een poging daar toetsbare inhoud aan te geven. Ook in Nederland wordt de laatste tijd op allerlei plaatsen de rol van de burger onderzocht en onderstreept. Lubbers, Ritzen, Brinkman en Hirsch Ballin komen daar met grote regelmaat op terug. Bas van Stokkoms studie voor de Wiardi Beckman Stichting De republiek der weerbaren pleit voor mondige burgers die de overheid op de vingers kijken.

Naarmate de overheid vaker moet toegeven de opgedragen taken niet zonder hulp aan te kunnen, wordt steeds nadrukkelijker een actieve bijdrage gevraagd van de aandeelhouders van de staat.

Het nog altijd actuele pleidooi van Herman Vuijsje (Lof der dwang) voor enige stevigheid bij het keren van het tij van publieke verloedering wordt zichtbaar ondersteund door het verkeer en het uiterlijk van de openbare ruimte in een Amerikaanse stad als San Francisco. Zo schoon als de straten zijn, zo geciviliseerd als de omgang, zo vriendelijk het rijgedrag kom je het in Nederlands grote steden zelden tegen. Dat blijkt allemaal geen illusie te zijn, ook al zit er in dit land op andere fronten van alles fout, dat is bekend.

Levi Strauss heeft zijn burgerschap gestalte gegeven door zich ten doel te stellen alle "partijen' (aandeelhouders, omgeving, werknemers, leveranciers) waar het bedrijf mee te maken heeft ten dienste te staan. Vice-president Bob Dunn geeft grif toe dat mèt ethisch beleid veel beter personeel van hoog tot laag kan worden aangetrokken: Wie wil anders in de kledingindustrie werken? En wie wil bij een "slecht' bedrijf werken?

Eigenbelang en algemeen belang gaan duidelijk samen. In Europa worden pleidooien voor ethisch bedrijfshandelen meestal afgedaan als duur en zweverig. Het voorbeeld van Levi Strauss is een steun in de rug van degenen die zeggen: het moet en het kan. Op de lange termijn hoeft er geen conflict te zijn tussen goed doen en het goed doen.