Oorlog zou hier nog erger zijn dan in Bosnië

IBRAHIM RUGOVA, leider van de Albanezen in Kosovo, vreest de uitbreiding van de burgeroorlog naar Kosovo. “Wij hebben de dialoog geaccepteerd. Maar ik heb niet veel hoop.”

PRISTINA, 11 NOV. Ibrahim Rugova heeft zeker het kleinste werkkamertje van alle vooraanstaande politici in ex-Joegoslavië: nog geen acht vierkante meter in het gebouwtje van de schrijversbond van Kosovo, in de hoofdstad Pristina. Een vraaggesprek met hem draagt meer het karakter van een gemoedelijk praatje. Hij is vriendelijk, spreekt met zachte stem, en ziet er precies uit als op de foto's: een warrige haardos, zoals past bij een schrijver, en een halsdoek die evenzeer tot een zekere artistieke allure bijdraagt.

Je zou niet zeggen, kortom, dat we hier zitten tegenover een sleutelfiguur in een - na de oorlogen die ex-Joegoslavië nu al anderhalf jaar teisteren - potentieel zo mogelijk nog gruwelijker en algemeen gevreesd drama: een gewapende strijd tussen Serviërs en Albanezen in de provincie Kosovo.

De Servische president Slobodan Milosevic, de tot het nationalisme bekeerde ex-communist die internationaal geldt als de voornaamste aanstichter van de oorlogen in Joegoslavië, is hier in Kosovo zijn carrière begonnen met de triomfantelijke ontmanteling van de staatkundige autonomie van deze Servische provincie. De Albanezen, die hier negentig procent van de bevolking uitmaken, hebben gereageerd met meestal lijdelijk verzet en in illegale stemmingen de onafhankelijke republiek Kosovo uitgeroepen. Rugova is hun president.

“De oorlog is een mogelijkheid”, meent Rugova, die niet alleen de invloedrijkste van de Albanese politici is, maar ook bekend staat als een gematigd en vredelievend man, die meer heethoofdige Albanezen tot nu toe van geweld wist af te houden. “De internationale gemeenschap heeft de Servische oorlogsmachine niet tot staan gebracht, en hier in Kosovo gaat de repressie onverminderd door. Milosevic zou om zijn bedreigde positie in Belgrado te redden de Kosovo-kaart kunnen spelen, iedereen zegt immers dat de oorlog zich steeds verder naar het zuiden beweegt.

“Ook is het mogelijk dat het Albanese volk van Kosovo, dat nu nog alleen vreedzaam verzet pleegt tegen de Servische bezetting, op een dag in opstand komt. De economische situatie wordt met de dag slechter. Zoals u weet zijn de meeste Albanezen de afgelopen drie jaar ontslagen uit alle overheidsdiensten en staatsbedrijven, maar nu is de Servische macht ook begonnen de "kleine economie' waardoor velen van ons overleven - eigen bedrijfjes en dergelijke - aan te pakken door verdubbeling of verdrievoudiging van de belastingen.”

In Londen heeft Rugova, leider van de voornaamste politieke groepering in Kosovo, de "Democratische Liga' (LDK), ook de onfortuinlijke president van het inmiddels door Serviërs en Kroaten onderling opgedeelde Bosnië-Herzegovina ontmoet. Welke les heeft hij getrokken uit de ontmoeting met Alija Izetbegovic en de gang van zaken in Bosnië-Herzegovina?

“Natuurlijk is Bosnië-Herzegovina een les, ook voor ons. Men moet proberen de problemen op te lossen aan de onderhandelingstafel, niet door geweld. In Kosovo zou de oorlog nog erger zijn dan daar. Want in tegenstelling tot Bosnië-Herzegovina beschikken wij niet over een eigen politie, of over een "territoriale verdediging' (een republikeins legertje, red.). Wij hebben alleen maar een politieke partij.”

Sinds de Servische overheden drie jaar geleden feestelijk een eind maakten aan de staatkundige autonomie van Kosovo, dat zij als de "wieg' van de Servische natie beschouwen, en begonnen de Albanezen in het openbare leven te marginaliseren, is de Albanese gemeenschap, 1,7 miljoen mensen sterk, min of meer ondergronds gegaan, bijvoorbeeld door de organisatie van middelbaar en hoger onderwijs in particuliere woningen en een eigen stelsel van gezondheidszorg. “Ik denk dat wij erin geslaagd zijn ons onderling in vrijheid, in een democratische geest te organiseren. Op die manier vormen we, hoewel bezet, toch een onderdeel van het democratisch proces dat zich in Oost-Europa voltrekt. Natuurlijk worden we geholpen, door de Albanezen die in het buitenland werken, niemand kan van de lucht leven. Maar ik denk dat we al drie jaar bewijzen, dat we democraten zijn. De Serviërs verwoesten alles, maar wij gaan door met de opbouw van onze gemeenschap”, aldus Rugova.

Tot twee keer toe heeft de Joegoslavische premier Milan Panic Pristina bezocht en met Rugova gesproken, de laatste keer in gezelschap van Lord Owen en Cyrus Vance, de voorzitters van de Joegoslavië-conferentie. Panic heeft zich, in tegenstelling tot de Servische overheden, een voorstander van onderhandelingen en herstel van nationale rechten voor de Albanezen in Kosovo betoond. Verandert dat voor Rugova en de LDK de situatie?

“Panic is een man van goede wil, die zaken wil veranderen. Hij doet beloften, maar hij heeft nauwelijks macht in Belgrado (de Servische en Joegoslavische hoofdstad, red.). De Servische repressie gaat door, met een poging een eind te maken aan het laatste Albanese dagblad, Rilindja, bijvoorbeeld. De opschorting van de autonomie zullen we nooit kunnen accepteren. Maar in ieder geval is er nu een begin van dialoog, ook in Genève, waar we voorlopig alleen nog maar de status van waarnemers hebben. Wij hebben de dialoog geaccepteerd om er niet van beschuldigd te worden, niet tot het gesprek bereid te zijn. Maar ik heb niet veel hoop, als de Servische oorlogsmachine niet een halt wordt toegeroepen.”

Vance en Owen, en ook Panic, hebben de neiging, de kwestie Kosovo op één lijn te stellen met het probleem van de Servische minderheid in Kroatië en Bosnië. Die moeten, binnen de grenzen van die republieken, bescherming en een zekere autonomie krijgen, is de gedachte, net als de Albanezen in de Servische provincie Kosovo. Is dat voor Rugova een acceptabele redenering?

“Europa is niet alleen een geheel van staten en minderheden, maar ook van volkeren en gebieden. Het zou goed zijn als de Europese gemeenschap dat zou erkennen. Kosovo is, krachtens de uitspraak in ons referendum, een tweede Albanese staat, onafhankelijk, democratisch en neutraal. Etniciteit is een reëel gegeven, en Albanezen zijn in Kosovo nu eenmaal de meerderheid van negentig procent, zoals op sommige plaatsen in Kroatië en Bosnië de Serviërs een homogene groep vormen. Daar roepen ze dus republieken uit, en dat kan ik me wel voorstellen. Maar in Kosovo rechtvaardigen ze hun hegemonie met historische argumenten - dat is de Servische oorlogslogica.”

Wanneer de Albanezen op 20 december naar de stembus zouden gaan bij de Joegoslavische en Servische verkiezingen, zouden ze een aanzienlijke macht vertegenwoordigen, een kwart van de stemmen binnen Servië misschien wel. Zou de gang naar de stembus voor de Albanezen niet zeer voordelig kunnen zijn?

“Wij hebben ons in het referendum uitgesproken voor de afscheiding van Servië, dus van deelname aan de Servische verkiezingen kan geen sprake zijn. Voor wat betreft Joegoslavië ligt dat wat anders: onze Republiek Kosovo achtte zichzelf deel van het oude Joegoslavië. Maar niemand heeft onze mening gevraagd bij de oprichting van het nieuwe Joegoslavië (de federatie van Servië en Montenegro, red.), dus wat betreft de Joegoslavische verkiezingen is de situatie nog onduidelijk. Onze partij moet over deelname aan die verkiezingen nog een beslissing nemen.”

Kroatische druk vorig jaar, een tweede anti-Servisch front in het zuiden te openen, hebben Rugova en de zijnen weerstaan, zeer tot ongenoegen van de leiders in Zagreb. Meer te spreken is de "president van Kosovo' over de houding van de Sloveense leiding, die in de VN en op andere internationale fora de kwestie-Kosovo aansnijdt. Hetzelfde geldt voor het buurland Albanië, waarmee de Albanezen van Kosovo ooit verenigd zullen worden, denkt Rugova, al is dat voor hem geen actueel thema. Van schrijven komt inmiddels niet veel, hoogstens leest hij wat, voor het slapen gaan, “over de oudheid meestal, de Griekse of de Albanese. U weet toch dat wij een van de oudste volkeren op de Balkan zijn?”