KEES BROEKMAN 1927-1992; Grillig natuurtalent

Kees Broekman, die zondag op 65-jarige leeftijd overleed, was de eerste Nederlandse schaatser die een olympische medaille veroverde. De verwarmingsmonteur uit het Westland haalde in 1952 bij de Winterspelen in Oslo zilver op zowel de vijf als tien kilometer. In het Blue Band Sportboek staat beschreven hoe merkwaardig Broekmans carrière begon. Op de ijsbaan van Charlois in Rotterdam trainde Siem Heiden in 1946 een groep rijders, onder wie Henk Broekman, de oudere broer van Kees. De coach was niet tevreden over Henks prestaties en vroeg hem hoe oud hij was. “Drieëntwintig”, was het antwoord. “Dan wordt het nooit wat met jou”, vervolgde Heiden. “Heb je niet een jonger broertje?” Ja, dat had Henk, maar Kees had geen Noren en ook geen schaatsenrijderspak. “Dan leent-ie die maar”, zei Heiden, “stuur 'm morgen.”

Kees Broekman kwam de volgende dag en deed meteen mee aan het kampioenschap van Zuid-Holland, waar hij iedereen verbaasde met een snelle vijf kilometer. Hoewel zijn 500 meter erbarmelijk was nam Heiden hem dezelfde week mee naar het Nederlands kampioenschap in Heerenveen. De inschrijving was al gesloten, maar de coach kreeg het voor elkaar dat zijn oogappel toch mocht starten. Broekman was bang voor “al die kopstukken”, maar hij werd de sensatie: de achttienjarige rijder werd tweede op de tien kilometer en vijfde in het eindklassement, dat door zijn dorpsgenoot Piet Keyzer uit De Lier werd gewonnen.

Broekman was een grillig natuurtalent, dat niet altijd vechtlustig was en tamelijk snel ontmoedigd. Liep alles op rolletjes, dan kon hij zich op de lange afstanden meten met de besten van de wereld. De Zuidhollander, wiens zwakke punt de sprint bleef, stelde bij de Winterspelen van 1948 teleur, maar datzelfde jaar triomfeerde hij op de 5.000 meter bij de Europese titelstrijd. Op het wereldkampioenschap won hij de vijf en tien kilometer en werd hij tweede op de 1500 meter. Toch werd hij slechts vierde in het slotklassement als gevolg van zijn uiterst zwakke 500 meter.

In 1948 en 1949 liep Broekman de wereldtitel net mis. In de jaren daarna werd het schaatsen beheerst door de Noorse superman Hjalmar Andersen. Broekman kon pas uit diens schaduw treden toen de Viking eind 1952 stopte. De Nederlander werd in 1953 Europees kampioen in Hamar, nadat hij tevoren in Davos het wereldrecord op de vijf kilometer had verbeterd. Broekman, die in het begin van de jaren vijftig zijn grootste successen boekte, was de eerste Nederlandse na-oorlogse topper. Omdat er in ons land nog geen kunstijs was, week hij met coaches Taconis en Schenk en tijdgenoten Van 't Oever, Maarse, Huiskes, De Graaff, Van der Voort, Pesman, Van der Grift en Van den Berg uit naar Scandinavië om te trainen.

Broekman reed twaalf wereldkampioenschappen, veertien toernooien om de Europese titel en was vier keer deelnemer aan de Olympische Spelen. Met dat laatste is hij Nederlands recordhouder. Bij de Winterspelen van Cortina d'Ampezzo (1956) reed hij nog twee keer bij de eerste vijf. Vier jaar later nam hij afscheid in Squaw Valley.

Na zijn carrière was Broekman tussen 1963 en 1968 trainer van de Italiaanse bond. In 1968 werd hij coach van de nationale vrouwenkernploeg, waarvan Atje Keulen-Deelstra de succesvolste rijdster was. Toen zijn selectie in 1971 bij grote internationale toernooien teleurstelde kreeg Broekman de schuld. Hij zou te zachtaardig zijn en werd opgevolgd door de hardere Gerard Maarse. Korte tijd was hij trainer in Zweden waarna hij ook in Noorwegen en Duitsland bij de schaatssport was betrokken. Het laatst was hij als clubtrainer werkzaam in zijn woonplaats Berlijn.