In de modder respect afdwingend

DE MINISTER VAN FINANCIËN / VICE-PREMIER W. KOK (PvdA) Begroting: 4,3 miljard Aantal ambtenaren 29.226 Belangrijkste beleidsdocument: Miljoenennota

Drie jaar oud is het kabinet Lubbers/Kok, tijd voor een tussenbalans. Vandaag het zesde deel uit een serie evaluerende portretten: W. Kok, minister van financiën, vice-premier en PvdA-leider.

DEN HAAG, 11 NOV. Het ministerie van financiën kan tevreden zijn, de Partij van de Arbeid niet. Als penningmeester van de Staat boekt Kok tot nu toe meer succes dan als leider van de PvdA. Het financieringstekort gaat omlaag; de kiezersgunst voor de PvdA gaat nog niet omhoog.

Zijn critici hadden drie jaar geleden erger voorspeld. Een leider op Financiën was slecht voor de PvdA, een socialist als beheerder van de schatkist was slecht voor Financiën en het was vooral slecht voor hemzelf. Een mijnenveld, zou het zijn, "a hell of a job'. Het laatste bleek te kloppen, de rest minder. Als minister van financiën heeft Wim Kok een spilfunctie in het kabinet: hij kan zich via zijn portefeuille op alle terreinen meten met de premier/CDA-leider, hij weet als kasbeheerder zijn partijgenoten in het kabinet te disciplineren en hij zet de toon bij een belangrijk deel van het overheidsbeleid. Zijn strategische keus is een goede gebleken, hoe goed moet aan het einde van de periode blijken.

Hij is zakelijk en sober, een bestuurder zonder franje, op het saaie af. IJverig en stug, met een groot plichtsgevoel, maar wars van kameraderie. In de partij heeft zich rond Kok geen coterie gevormd. De fractie voelt die afstand als hinderlijk, zijn collega-ministers soms ook. “Het is misschien wel het geheim van zijn succes”, oordeelt een betrokkene.

Zijn aanpak is altijd voorzichtig, soms op het irritante af. Hij weegt en taxeert, maar als hij kiest zet hij door. Als minister drukt hij een sterk stempel op het departement, als leider van de partij is hij minder prominent aanwezig. Hij geeft de PvdA minder profiel dan menigeen in de partij zou willen, zegt enerzijds te willen vernieuwen maar is tegelijk in sociale kwesties behoudzuchtig.

Het functioneren van Kok wordt sterk bepaald door zijn relatie met het Torentje en het Frederiksplein, ofwel met de premier en de president van De Nederlandsche Bank. Met de eerste heeft hij een omzichtige en afstandelijke, met de tweede een functionele en amicale relatie.

Het contact tussen Lubbers en Kok is honderd procent zakelijk. Daar is geen spoortje liefde bij. Distantie is er bij Kok altijd en ten opzichte van iedereen; in het contact met Lubbers is die distantie vermengd met een forse dosis argwaan. De oud-vakbondsman kent Lubbers nog van vroeger en hij kent ook de ervaringen van eerdere vice-premiers met de CDA-premier.

Als mastodonten schuiven Lubbers en Kok om elkaar heen: op afstand en met respect voor elkaars kracht. Ze zoeken elkaar niet op, ze raden soms liever naar elkaars bedoelingen dan dat ze er naar vragen. Zoals eind april van dit jaar toen slordige afspraken in het kabinet, gebrekkige communicatie tussen de premier en de vice-premier en een losse presentatie van de premier leidde tot een conflict over de inkomensverdeling. De botsing was direct een harde: een bijna-crisis. Uiteindelijk werd de zaak redelijk snel opgelost, maar het conflict werd nooit uitgepraat. Ze hebben het gewoon laten wegebben.

Kok heeft zich ten doel gesteld een solide financier te zijn in de sociaal-democratische traditie van Lieftinck en Hofstra. Voor die taak heeft hij de steun van een partijgenoot, de president van De Nederlandsche Bank nodig. Die steun was er niet automatisch, maar heeft hij moeten "verdienen'. Kort na het verschijnen van zijn eerste eigen begroting, die van 1991, kapittelde Duisenberg Kok wegens te rooskleurige verwachtingen voor de rest van de kabinetsperiode. Het was de opmaat naar de Tussenbalans, de ombuigingsoperatie van 17 miljard gulden in het voorjaar van 1991. Het was ook de periode waarin zijn relatie met de partij zeer stroef was, hij mentaal verder was dan zijn geestverwanten, en een harde saneringsoperatie ruw werd afgedwongen. En het werd de periode waarin hij zichzelf tegenkwam: de vakminister die zijn partij uit het oog was verloren. Wat Den Uyl in 1982 met zijn ingreep in de Ziektewet overkwam, overkwam Kok met de aanpak van de WAO: hij kreeg de partij en de vakbeweging diametraal tegenover zich.

De afloop is bekend: het aanvankelijke WAO-besluit ging van tafel, Kok verloor tijdelijk zijn geloofwaardigheid en definitief zijn partijvoorzitter en de kiezer keerde zich massaal van de PvdA af. Via een buitengewoon congres herstelde Kok zijn gezag, al is de gespletenheid over de WAO nog tot de dag van vandaag in de PvdA zichtbaar. In kleine kring heeft hij het later wel toegegeven: als bestuurder had hij geblunderd. Te veel opgeslokt door het departement, te weinig voeling gehouden met de samenleving en de partij. Het was de eerste keer dat hij van de dunne evenwichtsbalk tussen ministerschap en leiderschap afviel. Met bijna fatale afloop.

Minder ingrijpend, maar even pijnlijk was een conflict binnen het eigen departement in de nazomer van vorig jaar. Opnieuw hinderde de ene functie de andere. Kok was volop in de weer de WAO-crisis in de partij te beheersen, terwijl zijn thesaurier-generaal Maas uiterst actief was om de vorming van de Europese monetaire unie gestalte te geven. De topambtenaar, voorzien van het gezag van het Nederlandse voorzitterschap, zette in op een Europa van de twee snelheden. Met steun van Duitsland en de Nederlandsche bank, maar niet met steun van Kok. Die was zo druk met zijn WAO-dossier dat hij niet was genformeerd. Kok moest zijn ambtenaar op een Europese ministeraad in Brussel publiekelijk corrigeren: hij distantieerde zich van het idee.

Als solide financier heeft hij krediet op zijn departement, aan het Fredriksplein en bij coalitiepartner CDA. Zijn derde begroting leverde hem in september alom waardering op. Een verdienstelijke minister van financiën, zei een topbankier, de Miljoenennota 1993 bevat krachtvoer voor het bedrijfsleven, adverteerde de "elitebank' Pierson, Heldring en Pierson paginagroot de dag na Prinsjesdag. Tot het economisch klimaat recent omsloeg en weer nieuwe bezuinigingen nodig waren.

Kok overwoog voor het eerst de norm voor het financieringstekort los te laten, hij wilde die voor 1993 laten slippen om erger met de werkgelegenheid te voorkomen. Slechte prognoses voor 1994 brachten hem snel af van zijn rekkelijkheid. De norm werd weer de norm, de minister van financiën dicteert opnieuw strak de grenzen van het kabinetsbeleid én die van de Partij van de Arbeid. In de top van de PvdA houdt men zich vast aan de gedachte dat het bij de verkiezingen zal lonen dat de partij nu niet wegloopt voor de problemen. “Kok is de man die in de modder blijft staan, dat moet respect afdwingen.”