Honderd planten, vijf jaar cel

Het waren de helikopters die zijn vriendin nerveus hadden gemaakt, vorige zomer. Hij had het weggelachen. Doe niet zo gek, had hij haar voorgehouden, de politie heeft wel wat beters te doen. Die gaat heus geen luchtpatrouille uitvoeren om bewijs te verzamelen tegen een thuisverbouwer van een handvol marihuanaplantjes. “Ik handel er toch niet in?” had hij gezegd. “En trouwens, volgens de wet van deze staat is wat ik doe geen misdrijf, maar een overtreding. Het zal zo'n vaart niet lopen.”

En hij stelde haar verder gerust met de theorie dat ze hem gewoon niet kònden arresteren: hij, de succesvolle advocaat die het met praktisch iedereen in de wijde omtrek goed kon vinden, was immers het levende bewijs dat je van het roken van marihuana geen asociale mislukkeling hoefde te worden. Hij had na zijn scheiding twee dochters opgevoed die naar de universiteit gingen; hij had als vrijwilliger rechten gedoceerd in een gevangenis; hij accepteerde zoveel pro deo-zaken dat collega's hem aanraadden wat meer aan zichzelf te denken; hij was vice-voorzitter van een afdeling van de beroepsorganisatie voor advocaten, de Bar Association.

Toen, op 7 augustus 1991, kwam het legertje van het federale Drug Enforcement Administration met het huiszoekingsbevel - vijftien, misschien twintig man sterk. Ze stelden vast dat, Joel M. Proyect één-achthonderdste procent van zijn 47 hectare grote land gebruikt om marihuana te verbouwen: een klein akkertje, een oogst waar de modale gebruiker anderhalf à twee jaar mee vooruit kan.

Triomfantelijk sneden de agenten plant na plant dicht bij de grond af. “Vergeef hun, Vader, want ze weten niet wat ze doen”, dacht Proyect nog, maar hij glimlachte niet meer toen een van de agenten routineus de zogenoemde Miranda-rechten begon op te dreunen, de vaste prelude tot een arrestatie: You have the right to remain silent . . . Ze hadden honderdtien marihuanaplanten geteld. Elf te veel volgens artikel 21 USC 841, dat in 1988 zonder veel ophef door het Congres van de Verenigde Staten was bekrachtigd. Een zonderlinge wet, die bepaalt dat het verbouwen van meer dan 99 marihuanaplanten bestraft zal worden "met niet minder dan vijf en ten hoogste veertig jaren'. Of de wetsovertreder de bedoeling had zijn oogst te verhandelen of niet, doet er niet toe. Anderzijds legt hetzelfde artikel geen minimumstraf op aan iemand die 99,9 kilo marihuana bezit met de aantoonbare intentie die partij te verkopen.

De advocaat - 51 jaar nu, jeansdragend, met een fraaie bariton die menige jury in de ban heeft gekregen - begon zo'n twintig jaar geleden met het roken van marihuana. “Iedereen wist dat ik thuis regelmatig een joint opstak. Ik had eens voor een vriendin die net een kind had gekregen een cadeau meegenomen, een wandelwagen in een langwerpige doos. Er was daar ook een goede kennis, een officier van justitie, en die zei hardop: "Boy, dat is de grootste joint die ooit gezien heb'. Iedereen lachen natuurlijk. In die sfeer ging het. Op z'n slechtst werd er onverschillig gereageerd op het feit dat ik marihuana rookte; op z'n best bestond er begrip voor. Het heeft mijn werk ook nooit negatief beïnvloed. Marihuana brengt me op ideeën, en ik kan me er beter door concentreren. Ik heb mezelf bijvoorbeeld Russisch geleerd - de taal van mijn grootouders. Woorden stampen gaat een stuk gemakkelijker als ik wat gerookt heb. Ik weet dat het verboden is, maar ik had nooit gedacht dat ik er ernstige moeilijkheden mee zou krijgen.”

Op 29 mei jongstleden werd Joel Proyect tot vijf jaar cel veroordeeld. De rechter die het vonnis oplegde deed dat met tegenzin, en zei zonder aarzeling dat hij "verrukt' zou zijn als er in hoger beroep een mildere straf kon worden uitgedeeld. Proyect: “Het is ook bezopen. Ik heb legio bankrovers en crackdealers verdedigd die er genadiger vanaf kwamen dan ik.”

Hij is op borgtocht vrij. Op 19 november dient zijn zaak voor het Court of Appeals in New York. Proyect hoopt dat die rechtbank zal bepalen dat hij feitelijk minder dan 100 planten verbouwd heeft, omdat de helft van zijn oogst uit onbruikbare mannelijke stengels bestond. Alleen vrouwelijke marihuanaplanten kunnen met bevredigende resultaten worden gerookt. Is de hogere rechter hem terwille, dan kan dat een belangrijk effect hebben op de straffen van andere thuisverbouwers van marihuana die door justitie hard zijn aangepakt. Proyect schat dat hij "enige duizenden' lotgenoten heeft.

Zoals het er nu voorstaat gaat zijn straf veel verder dan vijf jaar brommen. Het imposante houten huis dat hij in negen jaar tijd met eigen handen gebouwd heeft, is verbeurd verklaard; het kan door de federale overheid op welk moment dan ook worden opgeëist. Hetzelfde geldt voor de lap grond waar het op staat, een halfverscholen plek aan een idyllisch meertje in Parksville, twee uur ten noordwesten van de stad New York. De dreigende onteigening is het gevolg van een wet die criminelen in de portemonnee wil treffen door ze de vruchten van hun misdrijven af te nemen. Goed en wel voor een uit afpersing bekostigde Ferrari, betoogt Proyect, maar zijn eigendommen zijn niet verkregen uit illegale activiteiten. Hij teelde voor eigen gebruik en is er nooit van beschuldigd in drugs gehandeld te hebben. Voorts mag hij zijn beroep niet meer buiten de grenzen van de staat New York uitoefenen, en dreigt hij de eerste levensjaren van zijn kind dat op komst is, te missen.

Met het vallen van de avond en het ledigen van zijn derde flesje bier raakt Proyect filosofisch gestemd. “Misschien is het allemaal wel ergens goed voor”, zucht hij. “Misschien is het tijd voor een radicale ommezwaai in mijn leven. Wat er ook gebeurt, ik verdom het om bij de pakken neer te zitten. Ik ga in de gevangenis een personal computer leren bedienen. En wanneer ik vrijkom spreek ik vloeiend Nederlands.”

Dat laatste is meer dan een vleierijtje aan het adres van zijn ondervrager. Hij haalt een taalcursus-op-cassette tevoorschijn: Het Nieuwe Nederlands. “Ik zeg dit niet als druggebruiker, maar als jood: Nederland is naar verhouding een ongelooflijk tolerant land. Zodra dit allemaal voorbij is, zou ik er graag gaan wonen. Ik ben gek op mooi hout. Hier kun je het voor een habbekrats krijgen maar in West-Europa is het erg duur. Denk je niet dat ik daar bij jullie een aardige handel in zou kunnen beginnen?”

We komen terug op zijn vergrijp. Had hij als man-van-de-wet niet beter moeten weten? “Ik heb niets gedaan dat moreel verkeerd is. Het enige waaraan ik schuldig ben is dat ik ongehoorzaam ben geweest jegens een paar honderd zelfzuchtige dronkelappen in Washington die er op een achternamiddag een obscure, onzinnige wet doorheengejast hebben. Als ik daarvoor werkelijk vijf jaar de bak indraai, geloof ik niet dat er in dit land nog een acceptabel idee van rechtvaardigheid bestaat.”