"De begeleiding van prins Bernhard had beter gekund'

DEN HAAG, 11 NOV. Oud-minister mr. M. van der Stoel (buitenlandse zaken)vindt dat auteur H.A. van Wijnen van het gisteren verschenen boek De Prins-gemaal “overtuigend heeft aangetoond” dat de constitutionele begeleiding van prins Bernhard “beter had kunnen worden aangepakt”.

Van der Stoel was minister van buitenlandse zaken in het kabinet-Den Uyl (1973-1977) en het tweede kabinet-Van Agt (1981-1982). “Mijn algemene indruk is dat er eigenlijk nooit een goed gesprek met Bernhard is gevoerd over zijn mogelijkheden en beperkingen, tegen de achtergrond van de ministeriële verantwoordelijkheid voor zijn optreden. Dat is fout geweest”, erkent Van der Stoel.

Ook blijkt volgens hem uit het boek van Van Wijnen dat er kennelijk vrees bestond bij ministers van opeenvolgende kabinetten om deze kwestie met de prins aan te kaarten. “Maar zelf heb ik nooit de ervaring gehad dat, als je een heikel probleem met hem besprak, er geen respons kwam”, aldus Van der Stoel. De oud-minister herinnert zich niet dat hij zelf is betrokken in het beraad over de goodwill-reis van Bernhard naar de Shah van Iran in 1974, waarmee de prins een basis legde voor herstel van de handelsbetrekkingen met dat land. Dat had zeker in de rede gelegen, gezien Van der Stoels verantwoordelijkheid voor het buitenlands beleid. “Het kan best zijn dat Lubbers mij er en marge van de Ministerraad over heeft geïnformeerd, maar dat herinner ik me niet”.

Drs. W.K.N. Schemlzer, minister van buitenlandse zaken in het kabinet-Biesheuvel (1971-1973) zegt: “Ik heb nooit enig probleem met prins Bernhard gehad van het soort waar Van Wijnen in zijn boek beschrijft. Ik heb hem op geen enkel moment hoeven aan te spreken op een eventuele overschrijding van zijn bevoegdheden”.

In zijn periode als minister heeft Schmelzer minstens acht staatsbezoeken met koningin Juliana en prins Bernhard meegemaakt, waarvan twee inkomend (de presidenten van Finland en Roemenië) en zes uitgaand (naar Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Indonesië en Joegoslavië).

Schmelzer: “Tijdens al die staatsbezoeken had de prins een belangrijke functie, die heel vaak een economische achtergrond had. Sommige onderdelen van zo'n programma deed hij ook alleen.”

Volgens de oud-minister kwam het daarbij ook geregeld voor dat de koningin de prins expliciet vroeg een bepaald gesprek voor zijn rekening te nemen. “De koningin zei wel eens: "zeg, wil jij nog eens wat verder praten met die of die'. Samen vormden Juliana en Bernhard een heel goed team. Ze verdeelden de taken op een zinvolle manier. De prins was ook heel doeltreffend in dit soort ontmoetingen op economisch terrein. Hij had een geweldige ervaring, een hele brede kennissenkring en grote belangstelling voor die zaken.”

Veel oud-ministers en -politici wilden eerst het boek lezen voordat zij commentaar zouden geven.