Amnesty International in vandaag gepubliceerd rapport: Martelen in Turkije gaat door

Het lijk van Ramazan Altunsöz werd op 31 oktober, tien dagen na zijn aanhouding, aan zijn familie overgedragen. De gouverneur van de provincie Batman, in het zuidoosten van Turkije, maakte bekend dat hij was overleden aan “ziekten van maag en nieren”. De officiële doodsoorzaak was “longbloedingen en acute gastritis”. Zijn familieleden fotografeerden echter kneuzingen op zijn borst, schouders, onder zijn oksels, op zijn armen en zijn knie. Hij was de derde die dit jaar na verhoor op het hoofdbureau van politie van Batman overleed, aldus de organisatie voor de rechten van de mens Amnesty International.

“De wanden van alle politiebureaus zullen van glas worden gemaakt”, beloofde de huidige Turkse premier Süleiman Demirel in oktober 1991 in zijn verkiezingscampagne. Wanden van glas heeft Amnesty zijn jongste rapport over Turkije cynisch getiteld. Het rapport, dat vandaag uitkomt, heeft namelijk nog steeds weinig goeds over de naleving van de mensenrechten in Turkije te melden. Het enige nieuwe is dat de huidige regering erkent dat foltering een belangrijk probleem is.

Illustratief is wat dat betreft de gang van zaken met de strafrechthervormingen. Een desbetreffend wetsvoorstel werd begroet als bewijs dat deze regering, in tegenstelling tot haar voorgangers, haar beloften tot eerbiediging van de mensenrechten nakwam. Maar eerst werd een reeds verwaterd wetsvoorstel door president Özal naar het parlement teruggestuurd, omdat het de nationale veiligheid in gevaar zou kunnen brengen. Een nog verder afgezwakt voorstel werd onlangs afgestemd.

Amnesty wijst erop dat in Turkije onveranderd bejaarden, jongeren, vrouwen en kinderen worden gefolterd of mishandeld tijdens de relatief lange periode van detentie zonder toezicht van een rechtbank op politiebureaus en dat zeker acht mensen in de eerste zeven maanden van dit jaar zijn doodgemarteld. Maar de organisatie wijst ook op een nieuwe trend: buitengerechtelijke executies.

Sinds november 1991 zijn volgens Amnesty alleen al meer dan honderd Koerden doodgeschoten in Zuidoost-Turkije - een gebied waar een steeds bloediger oorlog aan de gang is tussen de extreem linkse Koerdische Arbeiderspartij (PKK) en de Turkse veiligheidstroepen en waar dus de rechten van de mens het ernstigst worden geschonden, overigens ook door de PKK.

Het gaat om mysterieuze moorden, die door de autoriteiten veelal worden toegeschreven aan een plaatselijke moslim-fundamentalistische organisatie genaamd Hezbollah, niet te verwarren met de Libanese beweging van die naam. Amnesty wijst er echter op dat veel slachtoffers mensen zijn die eerder zijn vastgehouden of bedreigd door de politie, en dat er steeds meer bewijs is dat de autoriteiten de daders op zijn minst beschermen.

Het geval van Ramazan Sat is een typisch voorbeeld: hij werd in maart van dit jaar in zijn woning in Batman aangehouden, en twaalf dagen lang op het plaatselijke hoofdbureau van politie verhoord op verdenking van het verbergen van PKK-leden. Het verhoor werd kracht bijgezet door middel van foltering. Sat diende in april een officiële klacht in, waarin hij tevens meldde door de politie te zijn bedreigd. “De volgende keer zullen we je niet in je huis komen arresteren”, was hem gezegd. “We zullen je op straat vermoorden wanneer niemand kijkt.” Precies drie maanden later werd hij door onbekende aanvallers op straat in Batman neergeschoten en dodelijk verwond. Amnesty geeft ook andere voorbeelden.

Journalisten - die informatie over het doen en laten van de veiligheidstroepen naar buiten brengen - vormen een relatief groot deel van de slachtoffers. Premier Demirel gaf in augustus echter als zijn mening dat “degenen die zijn gedood geen echte journalisten waren. Het waren militanten vermomd als journalisten. Ze vermoordden elkaar”. Ook politici en mensenrechtenactivisten vormen een gewild doelwit.

“Elke dag wordt het voor ons moeilijker ons werk te doen”, zegt de advocaat Oktay Bahadir, van de afdeling Batman van de Turkse Mensenrechten-associatie. “We horen berichten over foltering, het plaatsen van landmijnen in dorpen, buitengerechtelijke executies, maar de veiligheidstroepen weigeren ons steeds vaker toestemming om naar de dorpen te gaan om een onderzoek in te stellen. We worden allemaal bedreigd - journalisten en mensenrechtenactivisten zijn vermoord - we vrezen voor ons leven. Maar het moeilijkste van alles is dat ondanks de informatie die we uitsturen over de schendingen van de rechten van de mens die hier aan de gang zijn, noch de regering noch de wereld enige actie onderneemt.”