"Waren wij er niet, dan zat de muskusrat al in Den Helder'

ALBLASSERWAARD, 10 NOV. Met een zojuist uit een klem gehaalde, dode muskusrat in zijn hand, loopt rattenvanger Anton Deelen door een appelboomgaard in de Alblasserwaard. Zware, zompige klei plakt aan zijn lieslaarzen. “Mooi slootje heb je hier”, zegt hij tegen zijn collega Teus de Koning. Maar die luistert niet. Hij is druk bezig in de sloot, waar hij tot aan zijn dijen in staat. Met zijn linkerlaars wroet hij in de oever. “Ik heb hier een prachtpijpie gespeurd Anton”, roept hij. “Daar kan wel eens wat uitkomen. Haal even snel een klemmetje.”

De Koning (38) en Deelen (37) zijn muskusrattenvangers. Deelen sinds negen jaar en De Koning zit al vijftien jaar in het vak, vanaf het moment dat de eerste muskusratten de Alblasserwaard binnendrongen. Toen stond hij er alleen voor. Nu is hij hoofd van het rayon Alblasserwaard-west, waar elke dag acht mensen de polder in trekken om de rattenpopulatie binnen de perken te houden. Hun graafwerk aan dijken, waterkeringen en kades moet worden voorkomen. Anders was de schade al in de miljoenen gelopen en hadden hier en daar dijken kunnen doorbreken. “Waren wij er niet, dan zat de rat al in Den Helder”, zegt De Koning stellig.

Rattenvangen is zwaar, maar mooi werk, volgens De Koning. “De rat is een waardige tegenstander. Niet als individu, maar als populatie.” “Je moet de cyclus altijd een stap voor zijn, voor elk stukje polder moet je een andere strategie hebben.” Een muskusrat, ook wel bisamrat genoemd, plant zich snel voort; een paartje kan binnen een jaar zo'n twintig nakomelingen krijgen. Het is dus zaak in het begin van het jaar zoveel mogelijk ratten uit te schakelen. “In de lente bepaal je de werkdruk voor de rest van het jaar”, zegt Deelen.

“In 1941 trok de eerste muskusrat bij Valkenburg de grens over”, zegt De Koning. “Toen is geprobeerd de ratten bij de grens te stoppen. Dat is duidelijk niet gelukt.”. Inmiddels zijn er in Nederland ruim driehonderd bestrijders actief en worden er ieder jaar meer ratten gedood. Van honderdduizend in 1980, tot vierhonderdduizend in 1991.

De rattenvangers in Alblasserwaard-west hebben een jarenlange ervaring. Ze zijn allemaal als "premiejager' (7,5 gulden per rat) begonnen, maar zijn nu in vaste dienst bij de provincie. In de Alblasserwaard zijn premiejagers nu niet meer nodig, de rattenpopulatie is daar de laatste jaren flink teruggedrongen. Maar dat betekent niet dat de vangers op hun lauweren kunnen rusten. De Koning: “De balans is heel gevoelig. Wanneer je even verslapt, wint de rat weer.”

Het speuren naar ratten is in de Albasserwaard belangrijker dan het vangen. De vangers struinen kilometers door de polder, op zoek naar aangevreten waterplanten, of holen in de oevers van de sloten. Tekenen die op de aanwezigheid van de bisamrat kunnen wijzen. Soms gaan dagen voorbij zonder ook maar een rat tegen te komen. “Wanneer je pas begint, wordt je daar onzeker van, denk je dat je niet goed zoekt”, zegt De Koning.

Het zoeken gaat het best als de sloten bevroren zijn. De Koning: “Dan kun je ze door het ijs heen speuren.” Maar wanneer het regent worden de sporen direct uitgewist. “Dan kunnen we niet veel meer doen dan klemmen repareren of vangkooien maken”, zegt De Koning.

De werkplaats van de bestrijders is een houten barak, middenin de Alblasserwaard. Vandaag regent het. De vangers drinken koffie in het keukentje. De klok, versierd met een afbeelding van een bisamrat, wijst tien uur. Ongeduldig kijkt men door het raam. Het blijft donker, maar de regen wordt minder. Resoluut staat iemand op. “Ik ga 't veld in”, zegt hij. De rest volgt spoedig, op De Koning en Deelen na.

“Het zijn allemaal natuurliefhebbers”, zegt De Koning. “Opgegroeid in de polder, boerenzonen vaak. Een goeie rattenvanger moet verstand van de natuur hebben, het is een specialistisch vak, waar geen opleiding voor bestaat. Er zijn hier bijvoorbeeld broedplekken waar je soms niet mag komen en rustgebieden voor ganzen. Dat moet je allemaal weten.” Deelen vult hem aan, terwijl hij dromerig naar buiten staart: “Als je op een feestje komt en je zegt dat je rattenvanger bent, kijken ze je soms aan alsof je een halve idioot bent. Maar het is een prachtig vak. Je bent heel de dag in de natuur.”