"Vonnis geveld, je dagen geteld'

Op kamer 353 van het Haagse gerechtsgebouw gaat Hendrik Kootstra er in zijn leren jek eens goed voor zitten. Hij is een stevige man met op zijn gezicht de grimmige uitdrukking van iemand die van mening is dat hij al genoeg met zich heeft laten sollen. Twee meter naast hem zit de advocate van de eiseres in het kort geding dat tegen Kootstra is aangespannen. Die eiseres is niemand minder dan zijn ex-vrouw, Christina Smulders. Zij is zelf niet aanwezig - een confrontatie met haar gewezen echtgenoot is het laatste waaraan zij behoefte heeft.

In maart 1992 is het huwelijk van Kootstra en Smulders ontbonden. Zij waren sinds 1973 gehuwd en hebben één dochter. Sinds hun scheiding bestookt Kootstra zijn ex met dreigbrieven en telefoontjes. Als voorbeeld laat de advocate, mr. M. Fransen, drie kaartjes zien. De teksten: "Vonnis geveld, je dagen zijn geteld'; "Parasieten, daar mag je je van ontdoen, misschien ben ik onderweg als je dit leest'; "Het mes is scherp, de dagen tellen door'.

Mevrouw Smulders en haar dochter zijn zó angstig geworden dat zij nauwelijks meer de deur uitdurven. De politie is ingelicht, maar kan weinig doen zo lang er geen straatverbod tegen Kootstra is ingesteld. In haar eis gaat mevrouw Smulders nog verder dan een straatverbod: ze wil dat haar ex zich, op straffe van duizend gulden per overtreding, niet meer in haar woonplaats, de Brabantse gemeente O., mag vertonen. Kootstra woont tegenwoordig in het westen van het land.

Eerder werd Kootstra veroordeeld tot het betalen van alimentatie aan zijn ex-vrouw. Hij is tegen die beslissing in beroep gegaan. Aan een plaatselijke politieagent heeft hij laten weten dat hij na een voor hem negatieve beslissing "eigen rechter' zal spelen tegen zijn voormalige vrouw.

“Wat zegt u ervan”, vraagt de rechter, mr. J. Holtrop, aan de gedaagde als de advocate de eis heeft toegelicht.

Kootstra zet terstond de voorraadschuur van zijn rancune wagenwijd open. Hij doet dat met een ijzige kalmte en in goed gekozen formuleringen. Hij vertelt dat hij vroeger een goede baan had die hij moest opgeven toen er kanker bij hem werd ontdekt. Hij zat tijdelijk in de WAO en is - sinds zijn herstel - werkzaam als binnenschipper. In dat beroep is hij veel van huis. Hij merkte dat zijn vrouw tijdens zijn afwezigheid afspraken maakte met andere mannen.

“Na een reis stelde ze voor: geef me de helft van je salaris, dan laat ik jou vrij en jij mij. Ik zei: hoe kun je me dat vragen, ik ben een gelovig mens. Na een volgende reis heeft ze de scheiding aangevraagd. Ze zei toen dat ze geen alimentatie wilde. Maar later vroeg ze het wèl, en niet weinig ook. Ze beweert nu dat niet zij, maar de gemeente wil dat ik betaal.”

De rechter hoort hem lange tijd aan en onderbreekt hem dan. “U praat maar steeds over het financiële geschil, maar het gaat hier om het emotionele aspect. Zij heeft veel last van uw brieven. Zeg daar eens iets van.”

“Ze wil alimentatie zodat voor mij geen nieuwe start mogelijk is”, bokt Kootstra.

“Maar waarom laat u het niet aan uw advocaat over om dit financieel uit te vechten? Waarom schrijft u deze brieven?”

“Ik heb sinds kort een nieuwe relatie, een weduwe met drie kinderen. Net nu wij samen verder willen, gaan mijn inkomsten achteruit. Dat laat ik mij door mijn ex niet aandoen.”

De rechter zucht zéér diep. “Luistert u nou. Ik begrijp uw belang, maar laat u dit nu verder aan uw advocaat en aan de rechter over. Waarom gaat u zich te buiten aan zulke onaardige brieven. "Ik snij je de strot af...' - dat schrijf je toch niet? Dat is toch beneden uw stand?”

“Ik heb ernstige morele bezwaren tegen deze alimentatie. Zij zegt dat ze fysiek zwak is, maar ze is kerngezond en zeven jaar jonger dan ik. Ik voel me getergd. Ik heb altijd als een fatsoenlijk staatsburger geleefd, maar het kan niet dat iemand via de rechterlijke macht zó wordt klem gezet.”

“De eis luidt dat u niet meer in O. mag komen”, zegt de rechter. “Dat gaat ver. Ik zie hier een ogenschijnlijk rustige man tegenover me. En ik probeer hem duidelijk te maken dat je zulke dingen niet schrijft.”

,Ik ben hier gekomen”, zegt de gedaagde, “om niet alles lijdzaam te ondergaan. Mijn vrouw is niet het slachtoffer van mij, maar van haar eigen ontrouw. En als ik in O. wil zijn, zal niets mij daarvan weerhouden. Het moet afgelopen zijn met haar terrorisme.”

Er spreekt een gietijzeren monomanie uit de woorden van de gedaagde. Het is hem ernst, en de rechter schrikt daar zichtbaar van.

“U begrijpt me niet”, zegt de rechter. “Vanaf nu moet u alleen nog mijn vragen beantwoorden. Hoe vaak komt u in O.?”

“Ik hoef er nog maar één keer te zijn. Eén keer of niet meer.”

De woorden klinken zoals ze bedoeld zijn: dreigend. De rechter wisselt een verbouwereerde blik met de advocate van de eiseres.

“Ik had vóór de zitting moeite met die vordering”, zegt de rechter tegen de gedaagde. “Ik stond meer aan uw kant dan aan die van mevrouw. Want ik heb er moeite mee om volwassen staatsburgers zulke grote verboden op te leggen. Maar u heeft iets in u dat door niemand is te stoppen. Er valt niet met u te praten, alleen omdat uw vrouw u ontrouw was. Ik blijk geen bindende afspraken met u te kunnen maken. Daarom moet ik nu toch gaan denken aan een voorziening tegen u.”

De woorden lijken volledig voorbij te gaan aan Kootstra. Hij zegt: “Als ze zegt: ik heb nooit van je gehouden, oké, dan moet je accepteren dat je al die tijd in een schijnwereld hebt geleefd. Maar laat mij dan ook mijn weg gaan. En gebruik niet mijn dochter als pion - ze is trouwens niet mijn biologische dochter, dat kon niet door mijn ziekte”.

“Wat vindt u van de vordering”, vraagt de rechter hem. “Moet ik haar toewijzen of afwijzen?”

“U moet doen wat uw hart u ingeeft. Als mijn vrouw mij mijn kans laat, heeft ze niets te vrezen.”

“Ik neem zijn bedreiging zeer serieus”, zegt de advocate. En ze citeert uit het blote hoofd: “Ik snij je je strot af en blijf bij je tot de laatste druppel bloed er uit is”.

De rechter knikt. Dan valt Kootstra fel uit naar de advocate. “Verwacht u dat een boete voor mij van duizend gulden het tij zal keren? Dat is niet realistisch. Er worden moorden gepleegd voor een paar centen. Mijn vrouw moet zich aan onze afspraak houden.”

De rechter heeft er genoeg van. “We zullen vonnis wijzen”, zegt hij. “Uitspraak komende maandag. Bedankt voor uw komst.”

De advocate verlaat het vertrek, maar de gedaagde blijft, als verdoofd, zitten totdat de rechter zegt: “U kunt gaan”.

(Het vonnis: volledige toewijzing vordering eiseres met een dwangsom van 1.000 gulden per overtreding tot een maximum van 50.000 gulden.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.