Verhuurders willen dat huren meer stijgen

DEN HAAG, 10 NOV. De woningbouwverenigingen zijn niet te spreken over het voornemen van de Tweede Kamer de huurverhoging volgend jaar te beperken tot maximaal zes procent, in plaats van 7,5 procent zoals eerder de bedoeling was.

Het NCIV, overkoepelend orgaan van 425 woningbouwverenigingen, wijst erop dat woningbouwverenigingen nu veel minder met de huurverhoging kunnen variëren. Het zal daardoor langer duren voordat verhuurders een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit van een woning bereiken.

Staatssecretaris Heerma (volkshuisvesting) toonde zich gisteren in de Tweede Kamer wel gevoelig voor de argumenten van de fracties van CDA en PvdA dat een huurverhoging van 7,5 procent te hoog uitpakt. Heerma wees erop dat het verschil tussen de inflatie (2,5 procent), waarop de huren mede worden gebaseerd, en de huurverhoging wel erg groot dreigt te worden. Formeel moet Heerma nog overleggen met het kabinet over een lagere huurverhoging.

Voor het eerst mogen verhuurders volgend jaar tot op zekere hoogte zelf de huurverhoging per woning vaststellen, afhankelijk van de kwaliteit daarvan. Ook huurbevriezingen en huurverlagingen behoren tot de mogelijkheden. Woningbouwverenigingen moeten er daarbij wel voor zorgen dat de gemiddelde verhoging op 4,75 procent uitkomt. Maar als de maximale huurverhoging tot zes procent wordt beperkt, is er volgens het NCIV weinig ruimte om ook huren te verlagen.

De koepelorganisatie voorspelt dat de meeste woningbouwverenigingen tot een gemiddelde huurverhoging van 5,5 procent zullen komen. Met dat percentage verlaagt het rijk volgend jaar de subsidies op de huurwoningen. Nu de maximale huurverhoging lager uitvalt, zou het logisch zijn ook de subsidieverlaging te beperken, aldus het NCIV.