Spontane apartheid domineert Pristina

PRISTINA, 10 NOV. Bepaald ongezellig is het 's avonds in Pristina. De hoofdstraat van de hoofdstad van de Servische provincie Kosovo kent geen "korso' meer. De op de gehele Balkan gebruikelijke pantoffelparade is verdwenen als gevolg van een soort spontane "apartheid' tussen de Serviërs, die twintig procent van de inwoners van Pristina uitmaken, en de tachtig procent Albanezen.

Het centrum, met zijn megalomane architectuur uit de jaren zeventig en tachtig, toen Albanese communisten probeerden deze hoofdstad van hun autonome provincie uit te bouwen tot een heuse metropool, is 's avonds het domein van de Serviërs. Hun moderne volksmuziek en nationalistische liederen schallen uit het restaurant Bozur, waar sinds enkele maanden de "Servische royalistische club' is gevestigd, vol nationalistische heethoofden die dromen van nog verdergaande maatregelen tegen de Albanese bevolking om Kosovo, de historische wieg van de Servische natie, grondig Servisch te maken - het "terugsturen' van Albanezen naar de republiek Albanië bijvoorbeeld.

Ook aan de hoofdstraat ligt het Hotel Grand, waar alle Albanese receptionisten en obers de afgelopen jaren zijn ontslagen ten gunste van Servisch personeel. Geen Albanees wil of mag meer in de buurt komen van het honderden kamers tellende hotel, dat nu voornamelijk Serviërs huisvest die op een tijdelijk arbeidscontract in Kosovo de arbeidsplaatsen van ontslagen Albanezen innemen: als postbode, als directielid van een onderneming, als onderwijzer, als ambtenaar, noem maar op. En vooral wonen er in het hotel Grand veel Servische politieagenten, die zich vervelen, zeer vervelen en 's avonds in het restaurant de tijd doden met drinken en het zingen van weemoedige volksliedjes.

De Albanezen, getroffen door massale werkloosheid, doden 's avonds de tijd in een drie jaar geleden gereedgekomen modern winkelcentrum, dat er door verwaarlozing en slechte afwerking uitziet alsof het binnenkort moet worden afgebroken. Wie een plaats vindt in een van de drukbezochte koffiehuizen wordt gemiddeld om de twee minuten aangesproken door een klein jongetje met gesmokkelde sigaretten. De gesprekken zijn er gedempt en ernstig en hebben als voornaamste onderwerp: komt de oorlog naar Kosovo, of niet, of nog niet?

Pag 5: "Ik heb gezegd: u hebt de sleutel niet, meneer Panic'

Met de inspanningen van Lord Owen en Cyrus Vance een verdere uitbreiding van de oorlogen in ex-Joegoslavië naar het zuiden te vermijden, is het probleem Kosovo de afgelopen maanden hoe langer meer internationaal bekend geworden. Samen met Milan Panic, de vredesgezinde premier van het nieuwe Joegoslavië (Servië plus Montenegro), hebben de beide voorzitters van de Conferentie voor Joegoslavië in Genève zelfs onlangs Pristina bezocht. Panic, met het hem eigen nonconformistische enthousiasme, heeft een doorbraak gedecreteerd in een van de duidelijkste impasses van het Albanese openbare leven: de boycot van het officiële middelbare onderwijs en het universitaire onderwijs in Pristina door de Albanese leerlingen (negentig procent van alle leerlingen in de provincie). Op 3 november, heeft Panic gedecreteerd, gaat iedereen terug naar school of collegebank.

Wat is er sindsdien gebeurd? Niets. “Premier Panic kent hier de situatie niet”, zegt Marinko Bozovic, minister van onderwijs van de provincie Kosovo. Als professor in de Servische fonetica aan de universiteit van Pristina verricht hij de ministeriële arbeid op basis van vrijwilligheid, vertelt hij. De boycot door de Albanezen van het in de afgelopen jaren geheel geserviseerde onderwijs ziet hij als “misbruik van kinderen voor separatistische doeleinden”. Natuurlijk kan het middelbaar onderwijs in het Albanees, althans gedeeltelijk, worden hervat, aldus de minister. Alleen moeten de leerplannen wel eerst ter goedkeuring worden voorgelegd aan het Servische ministerie van onderwijs - niet dat in Pristina maar dat in Belgrado natuurlijk.

En de Albanezen, nog steeds treurend over de door hen als illegaal beschouwde liquidatie van hun bestuurlijke autonomie, zijn tot de gang naar de Servische hoofdstad niet bereid. Inmenging in dit subtiele conflict door de federale regering van Milan Panic wordt door minister Bozovic geenszins verwelkomd. “Het is hier Servië, hier is voor het federale ministerie van onderwijs geen rol weggelegd”, merkt hij op. Herinvoering van het onderwijs in het Albanees aan de universiteit bij andere vakken dan Albanese taal- en letterkunde lijkt hem zeer onwaarschijnlijk. “Dat zou een doublure in alle vakken betekenen die een stadje als Pristina zich niet kan veroorloven”.

Aan de Albanese zijde in het onderwijsconflict geeft men van niet veel meer enthousiasme voor compromissen blijk. “De politie heeft verhinderd dat de Albanezen begin deze maand naar de scholen en faculteiten terugkeerden”, meent Rexhet Osmani, voorzitter van de Albanese bond van onderwijzenden. Dus gaat het sinds vorig jaar bestaande onderwijs in particuliere huizen van Albanezen verder. Dat de Albanezen alleen naar school terugwillen op hun eigen onderwijsprogramma's vertelt Osmani er aanvankelijk even niet bij.

Ook hij is weinig enthousiast over Panic' benadering van de situatie. “Toen de Joegoslavische premier zei dat iedereen naar school terug moest, hebben wij gezegd: u hebt de sleutel niet, meneer Panic. De federale regering heeft ons nu voor dialoog uitgenodigd, in Novi Sad. Maar dat is in Servië en voor ons niet acceptabel. Dus hebben wij een neutrale stad voorgesteld: Skopje, in Macedonië.”

Nee, een doorbraak in de kwestie-Kosovo lijkt in Pristina niet nabij. “Ik denk niet dat er oorlog komt”, meent een lokale intellectueel in een Albanese koffieshop. “Het zou zelfmoord zijn, want we hebben geen wapens, en zelfs geen bergen en heuvels, om ons te verschuilen als in Bosnië. Oorlog in Kosovo zou een slachting van Albanezen door het Joegoslavische leger betekenen, geen Albanees is dom genoeg om zo'n oorlog te beginnen.”

Maar of radicale volksgenoten, die bijvoorbeeld in de Albanese hoofdstad Tirana demonstreerden toen Panic, Owen en Vance daar onlangs op bezoek waren of onder de Albanezen in het buurland Macedonië agiteren voor een krachtiger verzet van de Albanezen daar tegen de zwakke regering in Skopje, het niet toch op een confrontatie willen laten aankomen, kan niemand garanderen.

En evenmin is het uitgesloten dat de Servische president Slobodan Milosevic, die eind jaren tachtig zijn nationalistische populaireit grondvestte op een krachtige bestrijding van het Albanese "separatisme' in Kosovo, zijn tanende populariteit in Servië nu zal proberen op te vijzelen door een nieuwe stap in Kosovo. De Servische televisie, Milosevic' voornaamste propagandawapen, heeft in een documentaire vorige week nog in herinnering geroepen hoe triomfantelijk dat allemaal ging. Bijvoorbeeld in de plechtige, zo niet feestelijke zitting van het Servische parlement die het einde van de autonomie van de provincie Kosovo afkondigde. En de grote demonstratie op de heuvel Gazimestan bij Pristina, waar één miljoen Serviërs in 1987 Milosevic bejubelden, omdat ze van hem verwachtten dat hij de "wieg van de Servische natie' van de "genocidale dictatuur der Albanezen' zou bevrijden.

De heuvel Gazimestan ligt er verlaten bij op deze gure herfstmiddag. De plaats waar in 1389 een Servische prins een Turkse sultan heeft vermoord, aan de vooravond van een grote slag die de Serviërs weliswaar verloren, maar die toch de oorsprongssage van het Servische nationalisme is, wordt aangegeven door een stenen toren. Geen bloemen, slechts verroeste letters Servische epiek op de toren. En een prachtig uitzicht op de volgende heuvel, waar een legereenheid kampeert en zes kanonnen van tanks op de stad Pristina gericht staan. In de lucht het gieren van twee straaljagers, op hun dagelijkse vlucht over de stad, waar een volgend hoofdstuk in de Joegoslavische burgeroorlog nog niet lijkt afgewend.