Schandaal verlamt economie

De economische malaise, die Japan voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog niet aan externe oorzaken, maar geheel aan zichzelf heeft te wijten, is zó hardnekkig dat de vraag rijst of het land op eigen kracht wel in staat is die te boven te komen.

Dit maal was het niet een oliecrisis (zoals in 1973 en 1979) of een valutacrisis (zoals in 1987) die de neergang in de hand heeft gewerkt, dit keer was het een speculatiecrisis van eigen makelij die het land in een malaisestemming heeft gestort.

En wat deze stemming nog verergert is het jongste corruptieschandaal, dat met de dag groter wordt en de hele politieke besluitvorming verlamt.

Hoewel Japan, als enige van de grote industrielanden, nog over ruime eigen middelen beschikt om zich een oppep-pakket te kunnen veroorloven van 10,7 biljoen yen (137 miljard gulden), belemmert het schandaal, waarop in de hele wereld alleen Japan het patent heeft, nu juist de uitvoering van deze mammoet-operatie - de grootste aller tijden.

De beurs van Tokio gaf gisteren een duidelijke waarschuwing af. Op de dag dat het parlement aan het debat zou beginnen, maar daaraan niet toekwam wegens de algehele politieke verlamming, daalde de Nikkei met 2,68 procent - bang als de beleggers zijn dat uitstel de economie nog verder verzwakt. In hun ogen staan de politici met hun schandaal herstel van de economie geducht in de weg. En bureaucratie en bedrijfsleven, altijd met de Liberaal Democratische Partij de dienst uitmakend, kijken aan de zijlijn machteloos toe. De vrijwel dagelijkse onthullingen, die aantonen hoe diep de regeringspartij in de nesten zit, maken de oppositie vastberaden de LDP te dwingen schoon schip te maken, voordat zij bereid is te beginnen aan de parlementaire behandeling van het oppep-pakket. Wat haar des te gemakkelijker valt, nu bovendien de regeringspartij is verwikkeld in een interne machtstrijd om de opvolging van de gevallen Kanemaru, als leider de krachtigste pleitbezorger van het mammoetpakket.

Intussen duikelen de slechte economische cijfers over elkaar heen. Zo daalden in het eerste kwartaal van het begrotingsjaar, dat begon op 1 april, de totale bestedingen van de particuliere sector met 0,7 procent ten opzichte van het vorige kwartaal, de grootste daling sinds de recessie van 1975. Zowel consumptie als investeringen liepen hard terug. De export groeide nog, ondanks de stijging van de yen. Een koersstijging die nog ongunstige gevolgen voor de export zal hebben, hoewel dat, als ook de invoer vermindert, niet meteen zal blijken uit het grote handelsoverschot. Het bruto nationale produkt - ruwweg het geheel aan inkomens wat een land aan de verkoop van zijn goederen en diensten verdient - kwam uit op een magere 0,3 procent. Dat is omgerekend op jaarbasis 1,1 procent.

In het tweede kwartaal zette de daling zich op vrijwel alle terreinen voort. De omzet van Japans grootste warenhuizen, een indicatie voor de consumptie, vermindert al maanden achtereen, in september nog met 2,9 procent ten opzichte van dezelfde maand een jaar geleden.

Nu bijna overal de omzet terugloopt en de vaste kosten stijgen, bezuinigen bedrijven drastisch op de bouw van nieuwe kantoren, winkels en fabrieken. De totale bedrijfsinvesteringen zakten het tweede kwartaal verder in met 3,4 procent en in het midden- en kleinbedrijf zelfs met 31,7 procent ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. Voor het hele jaar wordt voor het kleinbedrijf (tot 300 werknemers) een daling van 18 procent verwacht.

Het slechte investeringsklimaat heeft zijn weerslag op de orders van de 50 grote bouwondernemingen. Hun orders uit de industrie namen in het eerste halfjaar af met 28,8 procent vergeleken met dezelfde periode in 1991. De hardste klappen kwamen uit de sectoren die zelf het zwaarst worden getroffen. De orders uit de auto-industrie tuimelden met 40,4 en die uit de elektronica-industrie zelfs met 55,2 procent. De versnelling van de uitvoering van openbare werken deed de overheidsopdrachten weliswaar stijgen met 25,5 procent, maar dat kon niet voorkomen dat de totale orders inzakten met 15,6 procent.

Daarbij komt dat de met omvangrijke slechte leningen belaste banken hun kredietverlening verder inkrimpen. In september daalde de geldhoeveelheid met 0,4 procent, de eerste daling sinds in 1968 met deze statistiek werd begonnen. De industriële produktie steeg in het tweede kwartaal maar met 0,1 procent, in september zelfs met 4,6 procent, maar dat was een correctie op de vakantiedaling in augustus van 4,2 procent. Het enige lichtpuntje is, behalve de export, de woningbouw, die in het eerste halfjaar (april/september) met 4,6 procent groeide, maar die sector is te klein om hoop op herstel te baseren.

Bankgouverneur Yasushi Mieno zei in een recent interview dat hij zijn hoop vestigt op het mammoetpakket en de reeks renteverlagingen van zijn centrale bank. Maar hij zei ook te verwachten dat het herstel “heel langzaam” zou zijn. Want de malaise bij de investeringen, die gewoonlijk het herstel leiden, “duurt nog steeds voort”. En dat geldt ook voor de politieke impasse rondom het oppep-pakket.