Regering liet Bernhard vrije hand in zakendoen

ROTTERDAM, 10 NOV. Dertig jaar lang hebben opeenvolgende kabinetten na de Tweede Wereldoorlog prins Bernhard voor hun karretje van exportbevordering gespannen, maar consequent hebben ze gefaald de prins duidelijk te maken waar in constitutioneel opzicht de grenzen van zijn optreden lagen.

Tot die conclusie komt de journalist H.A. van Wijnen, chef opiniepagina van NRC Handelsblad, in zijn boek "De Prins-gemaal', dat deze week verschijnt. Bernhard gaf zich in het buitenland uit voor vertegenwoordiger van het Nederlandse staatshoofd, ventileerde als anticommunist van het eerste uur vaak zeer vergaande politieke opvattingen, die zeker niet door de ministeriële verantwoordelijkheid konden worden gedekt, en ontwikkelde een "allergie' voor de constitutionele discipline. In feite was de vrijheid die Bernhard zichzelf had aangemeten “vele malen groter dan die van zijn vrouw”. Pas in 1965 is hem bij toeval door de toenmalige vice-premier, mr. B. Biesheuvel, die hem verbood als piloot een riskante vliegtocht te maken, scherp duidelijk gemaakt wat de ministeriële verantwoordelijkheid precies inhield, schrijft Van Wijnen.

De auteur voerde twee reeksen gesprekken met prins Bernhard, de eerste maal in 1976, kort nadat de prins als gevolg van de Lockheed-affaire door het kabinet-Den Uyl was gedwongen uit de meeste van zijn openbare functies terug te treden, en de tweede maal in het voorjaar en de zomer van dit jaar. Van Wijnen kreeg een werkkamer op paleis Soestdijk, mocht het hele particulier archief van de prins raadplegen, kreeg toestemming van premier Lubbers en andere ministers om departementale archieven te raadplegen en kon zo de hele geschiedenis van de vrijwel ongedocumenteerde constitutionele conflicten tussen Bernhard en diverse ministers in de periode 1946-1976 verifiëren. Nog nooit had het Koninklijk Huis een dergelijke dienst aan de geschiedschrijving bewezen.

Bernhard had in de oorlogsjaren als moedig bevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten en door zijn markante positie gedurende de bevrijdingsperiode een avontuurlijk-anarchistische inslag gekregen. “Ik ben toen over het paard getild”, liet hij zich tegenover Van Wijnen ontvallen.

Uit archieven wist Van Wijnen nog een brief van president Kennedy aan koningin Juliana op te duiken, waarin de afwijkende houding van prins Bernhard in de Nieuw-Guinea-affaire werd geprezen. De toenmalige minister van buitenlandse zaken, Luns, werd in dezelfde brief met geen woord genoemd. Luns instrueerde daarop zijn woordvoerders op eventuele vragen te antwoorden dat er niets bekend was over het bestaan van zo'n brief.

Brief Kennedy:

Een telegram waarin de Amerikaanse president John F. Kennedy in 1962 prins Bernard bedankte voor zijn "verstandige opmerkingen' over de kwestie-Nieuw Guinea (w.s. in de ondertekening is: was signed). Dit was de tekst van een codetelegram dat via de Amerikaanse ambassade in Den Haag aan de Nederlandse regering werd overgebracht. Dezelfde tekst werd de volgende dag als brief verzonden.