Politici maken geen keuzen in de zorg

DEN HAAG, 10 NOV. Keuzen in de zorg moeten er worden gemaakt om de gezondheidszorg betaalbaar te houden. Maar wie die keuzen gaat maken, is tot op heden onduidelijk. De gezondheidszorg zelf? Nee dus. Artsen en ziekenhuizen proberen te leveren wat de patiënt nodig heeft, ook al is het soms erg duur en niet altijd even succesvol. Bijvoorbeeld transplantaties; de eerste harttransplantaties en longtransplantaties in Nederland werden uitgevoerd voordat de staatssecretaris voor volksgezondheid er toestemming voor had gegeven. Bewindslieden werden voor voldongen feiten geplaatst. Zo worden er elk jaar, al dan niet met toestemming vooraf van de overheid, nieuwe technologieën toegepast. Met geneesmiddelen gaat het niet veel anders.

Ook de politiek slaagt er niet in keuzen te maken. Het kabinet stelde in het regeerakkoord (1989) een commissie in het vooruitzicht die aanbevelingen moest doen voor het maken van keuzen, een jaar geleden verscheen een rapport van de commissie-Dunning (Kiezen en Delen), in de loop van dit jaar reageerde het kabinet daarop zonder er concrete maatregelen aan vast te knopen, gisteren sprak de Tweede Kamer er met staatssecretaris Simons (volksgezondheid) over. In de tussentijd is er niet gekozen, op één uitzondering na: op het gebied van de geneesmiddelen kwam in 1991 een maximum-vergoedingensysteem tot stand.

Omdat keuzen tot nu toe uitbleven wil een meerderheid in de Kamer, waaronder de fracties van CDA en PvdA, dat Simons voor 1 mei 1993 met een "helder reactie' komt op het advies van Dunning. Op grond van dat advies moet hij ook concrete maatregelen voorstellen. Simons beloofde daar in een brief op terug te komen.

Keuzen in de zorg worden dus nauwelijks door de politiek gemaakt, erover van gedachten gewisseld des te meer, zo bleek gisteren in de Tweede Kamer. “We bouwen voort op onze inbreng in een vorig debat”, zei het Tweede-Kamerlid Laning-Boersema (CDA). Ze doelde op een debat in 1989 over een soortgelijk rapport als dat van Dunning, Grenzen aan de Zorg. Ook toen werden geen keuzen gemaakt. “Het tellen van kiezers is soms belangrijker dan het beheersen van de kosten in de zorg”, zo erkende haar collega Netelenbos (PvdA).

De commissie-Dunning pleitte er een jaar geleden voor medische voorzieningen uitsluitend in een voor iedereen verplichte basisverzekering op te nemen na beoordeling op noodzaak, werkzaamheid, doelmatigheid en kosten. Alleen als dat gebeurt blijven de kosten beheersbaar en de noodzakelijke hulp voor iedereen beschikbaar. Dunning verbond één voorwaarde aan het maken van keuzen: eerst dient de medische professie doelmatiger te werk te gaan omdat die nog te veel geld verspilt.

Het kabinet kan zich daar aardig in vinden, zoals blijkt uit zijn standpunt op het rapport van de commissie-Dunning. Maar het antwoord op de vraag hoe doelmatiger moet worden gewerkt en welke keuzes moeten worden gemaakt, blijft het kabinet schuldig. Reden waarom een overgrote meerderheid van de Tweede Kamer het regeringsstandpunt als vaag, nietszeggend en weinig concreet betitelde. Simons drong aan op een groter realiteitsbesef: “Op vraagstukken van gepast gebruik en gepaste werkwijze van medici kan de politiek maar beperkt invloed uitoefenen.”

Zolang de politiek geen keuzen maakt, komen instellingen in de gezondheidzorg steeds meer in de problemen. Van de staatssecretaris moeten de ziekenhuizen, die in de meeste gevallen in de rode cijfers staan, volgend jaar samen ruim 160 miljoen gulden inleveren. Gisteren kondigden de ziekenhuizen harde keuzen aan, maar niet op een manier die Simons, Dunning of de Tweede Kamer voor ogen staat. In het verschiet liggen wat hen betreft pijnlijke maatregelen en die zullen leiden tot minder personeel, dus minder dienstverlening en dus langere wachtlijsten. De Tweede Kamer sprak gisteren desondanks tegen de wind in over de mogelijkheid om wachtlijsten te bekorten.

De oppositie riep op tot concrete maatregelen, omdat er de afgelopen jaren al genoeg rapporten over keuzen in de zorg zijn verschenen. Volgens Dees (VVD) is er veel kostbare tijd verloren gegaan. “Abstracte discussies zijn niet meer nodig, er is behoefte aan concreet beleid. En dat komen we in de voorstellen van Simons niet tegen. Het geld dat Simons in de publieksdiscussies heeft gestopt, tot en met 1994 4,7 miljoen gulden per jaar, kun je gebruiken voor een plan van aanpak, ontwikkeld, gedragen en uitgevoerd door de staatssecretaris en het veld, niet voor academische discussies.”

Beckers-de Bruijn (Groen Links) haalde een oude bijdrage van zichzelf aan uit een debat uit 1979 over het maken van keuzen in de zorg. We maken geen keuzen, we zijn in al die jaren niks opgeschoten, was haar conclusie. “Over de geloofwaardigheid van de politiek gesproken”, voegde Leerling (RPF) er aan toe. Dunning wist het een jaar geleden al. “De politiek zal met beslissingen wachten tot na het publiek debat. Je hebt met de WAO-problematiek gezien wat er gebeurt als je het omgekeerde doet. Dat is slecht bekomen.”