Pers als machtige nieuwe stand in VS

Het aloude Britse denkbeeld dat de vier standen in een democratisch bestel bestaan uit 1) de geestelijkheid, 2) de adel, 3) de burgerij en 4) de pers, leeft nog altijd voort in het onderbewuste van de mensen. Velen geloven dat die categorieën, onder andere benamingen, nog steeds geldig zijn, niet alleen in Groot-Brittannië maar ook in de Verenigde Staten en andere landen die zich democratisch noemen. En het Verenigd Koninkrijk hangt dat beginsel in theorie nog altijd aan, maar de praktijk is wel heel anders.

Een voorbeeld: toen Robert Runcie, voormalig aartsbisschop van Canterbury, zijn mening gaf over mevrouw Thatchers opportune, geslaagde herovering van de Falkland-eilanden, werd die mening achteloos ter zijde geschoven door de regering en door een tot patriottisch elan opgehitst publiek, dat door de conservatieve pers in de waan was gebracht dat er ginds werd gevochten voor hun "landgenoten'. De hoge geestelijken in het Hogerhuis en menig lid van het Lagerhuis wisten heel goed dat volgens de Britse wet de Falklanders allang geen Britten meer waren. Rupert Murdock en andere persbaronnen wisten hen te overtuigen en voerden het land ten oorlog.

Dezelfde machtsverschuiving tussen de "standen' is sinds twintig jaar gaande in de VS - misschien al langer. Sinds de pers erin is geslaagd president Nixon uit het Witte Huis te zetten, lusten de hoofdredacteuren hun presidenten rauw. Dit lugubere dieet heet "onderzoeksjournalistiek' en wordt, zoals altijd in dat land, gerechtvaardigd met het sjibbolet "het volk heeft het recht het te weten'. In de Europese democratieën is het ongeveer net zo, met variaties van land tot land.

Naarmate de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen de finishlijn naderde, werd duidelijk dat de media - de gedrukte zowel als de uitgezonden pers - zich de rol van tweede, zo niet eerste stand heeft toegeëigend bij de verkiezing van een president betreft. President Bush en zijn herverkiezings-team, de evangelische leurders met Gods woord, die de omroepstudio tot hedendaagse preekstoel maakten en zo hun gemeente van de driehonderd à vierhonderd zielen die er in een gemiddelde kerk gaan vermenigvuldigden tot miljoenen, wilden op de stoel van de geestelijkheid gaan zitten. Ze kregen prominente plaatsen op het podium en mochten tekeergaan tegen de satansdiscipelen, de liberals aan Democratische zijde. Maar de Republikeinse campagneleiders schijnen inmiddels te hebben geleerd dat dat niet werkt. Hun woorden missen gezag.

Wat wel werkt is het gezag van de media. Het merendeel van wat er in de campagne-schatkisten zit, komt in handen van de producenten van TV-spotjes (die 350.000 dollar per minuut kosten) - of vloeit in de reclamepot van de televisiestations. Wie niet betaalt, zal ook niet bepalen - of zelfs maar worden benoemd tot gemeentelijke hondenvanger. De New York Times gaf onlangs de reclamebudgetten van vier Democraten die in hun staat streden om de vraag wie het bij de verkiezingen voor de Senaat zou mogen opnemen tegen de zittende Republikeinse senator. De ene had vier miljoen dollar uitgetrokken, de tweede anderhalf miljoen, de derde een half miljoen en de vierde 60.000 dollar. Je hoefde geen futuroloog of ziener te zijn om te voorspellen wie er ging winnen.

Als Bush en zijn team weigerden zich uit te spreken over maatschappelijke vraagstukken en hun energie liever besteedden aan het prediken van "gezinswaarden' zoals belichaamd in het echtpaar Quayle, of het pulken aan wat oude littekentjes van Clintons "onpatriottische' verleden, dan tekende ook dat de gretigheid waarmee men de schandaalhonger van de pers stilt. Dan Quayle volgde bij zijn aanval op de populaire TV-serie Murphy Brown de tactiek van Senator McCarthy en zijn Comité inzake Onamerikaanse Activiteiten, die veel publieke aandacht wisten te trekken door hun aanvallen op Hollywood-sterren die zelf al sterk in de belangstelling stonden.

Ja, de pers is de machtigste of op één na machtigste stand geworden. De geestelijkheid raakt haar invloed kwijt, behalve in enclaves in het Midden-Westen waar het christelijk fundamentalisme nog standhoudt. De adel - in Amerika het Congres - is niet meer zo geacht als enkele decennia geleden nog het geval was. De mensen weten dat senatoren en afgevaardigden voortdurend worden gemanipuleerd door lobby's. Zo zelfs dat de lobbyisten zelf een geduchte "stand' in het bestel beginnen te worden, met haast evenveel invloed op de besluitvorming als de pers. Als president en Congres in de ban van de pers en de lobby's zijn, en het enige andere instituut van historische eerbiedwaardigheid, het opperste gerechtshof, voor de komende tijd vol zit met zorgvuldig geselecteerde Republikeinse politieke fundamentalisten - wat moeten de Amerikaanse kinderen dan straks voor democratie erven?