Nog geen eenduidige aanpak illegalen; Tegengestelde belangen bepalen toezicht vreemdeling

AMSTERDAM, 10 NOV. “Alle neuzen dezelfde kant op” luidde een van de voorwaarden die de Commissie-Zeevalking vorig jaar in haar advies aan de regering over binnenlands vreemdelingentoezicht formuleerde voor de modernisering van de aanpak van illegale vreemdelingen. Nu de kwestie opeens bovenaan de politieke agenda is komen te staan blijkt de ogenschijnlijk zo verstandige aanbeveling minder voor de hand te liggen dan op het eerste gezicht leek. Binnen de Partij van de Arbeid staan staatssecretaris Kosto van justitie en het Amsterdamse politieduo burgemeester Van Thijn en hoofdcommissaris Nordholt reeds met rode koppen tegenover elkaar. Meer in het algemeen heeft de roep om een harde aanpak van het Haagse gemeentebestuur c.q. een “cultuuromslag” (PvdA-fractieleider Wöltgens) verwijten uitgelokt van een heksenjacht.

Het binnenlands vreemdelingentoezicht is dan ook helemaal geen eenduidige opgave, maar een baaierd van tegengestelde belangen. Dat begint al met zoiets simpels als het plaatselijke bevolkingsregister, de moeder van alle overheidsbestanden. Men zou zeggen dat vreemdelingen zonder verblijfsvergunning daarin niet thuis horen. Maar de filosofie achter de bevolkingsboekhouding is van oudsher juist dat deze een overzicht dient te geven van alle feitelijk binnen een gemeente aanwezige personen. Dit heet onontbeerlijke informatie met het oog op essentiële overheidstaken op gebieden als volksgezondheid en rampenbestrijding.

De Commissie-Zeevalking toonde zich sceptisch over dit open-deur-beleid en vroeg zich af of zo veel illegalen het register niet toch zullen mijden dat dit slechts “schijnzekerheid” biedt. De ervaring na de vliegramp in de Bijlmer bevestigt deze diagnose. Maar het probleem van de verschillende belangen is daarmee niet van de baan. Zo pleegt onze fiscus zich niet af te vragen of bepaalde inkomsten legaal zijn verworven om voor belasting in aanmerking te komen. Daardoor zijn de vraag van de verblijfstitel en de arbeidsverhouding tot op grote hoogte losgekoppeld van elkaar, terwijl illegale tewerkstelling naar het zich laat aanzien de kern van het probleem vormt.

Misbruik van overheidsvoorzieningen speelt in de rhetoriek een hoofdrol. Ook de Commissie-Zeevalking maakte vorig jaar nogal een punt van het uitsluiten van collectieve voorzieningen. Het is echter onduidelijk hoeveel zoden dit aan de dijk zet. Uit de tweede helft van de jaren tachtig zijn enkele - overigens bescheiden - onderzoeksresultaten bekend (waaronder in elk geval toch een verkennend rapport aan het kabinet) die er allemaal op wijzen dat het aantal illegalen onder de vreemdelingen in de sociale voorzieningen beneden de 1 procent blijft. Er wordt wel degelijk naar papieren gevraagd, is de indruk van sommige onderzoekers, en veel illegalen proberen het niet eens. Een complicatie is dat mensen die hier keurig premie hebben afgedragen, in beginsel ook aanspraak op uitkering hebben - illegaal of niet.

Zelfs de politie, waarbij het primaire vreemdelingentoezicht berust, dient met meer factoren rekening te houden dan alleen het verwijderingsbeleid. Zo lijken controles op lokaties waar zich veel vreemdelingen bevinden aantrekkelijk vanuit een oogpunt van effectiviteit, maar het stigmatiserend effect is zo groot dat de Commissie-Zeevalking er in elk geval geen voorstander van was. In dit verband verdient de aandacht dat minister Hirsch Ballin (justitie) zojuist afstand heeft genomen van de omvang van de politie-inval bij het centraal magazijn van Blokker in Geldermalsen, in maart van dit jaar.

Het is trouwens maar wat men onder illegaal verstaat; het Nederlandse vreemdelingenrecht kent allerlei varianten (zoals “gedoogden” en nu weer “ontheemden”) die in de weg staan aan een klip en klaar verwijderingsbeleid. Met enige reden heeft het Nederlands Centrum voor Buitenlanders erop gewezen dat de stelling van het kabinet in het beleidsplan Recht in beweging dat er een grote instroom van illegalen bestaat “niet alleen een feitelijke vraag is maar ook een kwestie van definitie”. Nu is de kwantificering van illegaal verblijf per definitie een kwestie van “Dunkelziffern” (zoals de criminologen de onontdekte misdaad noemen) maar het is dan wel zaak steeds goed voor ogen te houden dat getalsmatige aanduidingen in hoge mate speculatief zijn. Zo meldde het jaarverslag 1990 van de Dienst Inspectie Arbeidsverhouding: “Naar in brede kringen wordt aangenomen werken er in Nederland 50 à 100.000 illegalen”. Het commentaar van de gespecialiseerde jurist Arriën Kruyt: “Die brede kringen waren terug te voeren op één justitie-ambtenaar”. Vijf jaar geleden ging een stuurgroep van Justitie nog uit van “50.000 illegalen op dagbasis” (na openstelling van de EG-binnengrenzen 65.000) nu zit staatssecretaris Kosto van justitie al op een twee- à drievoud daarvan. En de Internationale Arbeidsorganisatie hanteert een vuistregel van 10 procent van alle vreemdelingen, ook al weer zonder te zeggen waarom.

De Commissie-Zeevalking deed zijn vermaan over de gelijkgerichte neuzen speciaal in verband met de illegale arbeid. Deze vormt dan ook de kern van het probleem, al was het alleen vanwege zijn magneetwerking. Het is niet zozeer de bijstand die de illegale vreemdeling trekt als werk. Toch hebben ook hier enkele neuzen de neiging de andere kant op te gaan. De Commissie-Zeevalking voerde zelf “een niet vooringenomen waarnemer” ten tonele. Deze zou als volgt kunnen redeneren: “Wanneer er sprake is van een gespannen arbeidsmarkt, is het in dienst nemen van vreemdelingen in strijd met de Wet arbeid buitenlandse werknemers dikwijls de snelste mogelijkheid om aan het noodzakelijke personeel te komen. Wat is daar nu eigenlijk op tegen? Bovendien kan illegale tewerkstelling ertoe leiden dat de produktiekosten worden gedrukt”

Dat is echter wel wat erg eenvoudig gesteld, voegde de commissie daar met reden direct aan toe. Illegale arbeid verstoort concurrentieverhoudingen, doorkruist scholingsprogramma's en andere Nederlandse maatregelen ter bestrijding van de werkloosheid en stelt de betrokken werknemers bloot aan uitbuiting. Allemaal goede redenen om er niet in te berusten. Toch waarschuwde de commissie: “Bestrijding van illegalen zal ook bij een aangescherpt beleid in een open samenleving die bovendien nog eens gekenmerkt wordt door een open economie, nooit geheel effectief kunnen zijn. Voor volledige effectiviteit zou men ondernemingen en werknemers zodanig moeten controleren dat dit op gespannen voet zou komen te staan met het democratische gehalte van onze samenleving”.

Met name in het licht van verplichting die Hirsch Ballin wil invoeren voor iedere werknemer om een identiteitsbewijs bij zich te dragen op de werkplek, is dit laatste een belangwekkende waarschuwing. De commissie was overigens vóór een algemene identificatieplicht om zo min mogelijk onderscheid te maken tussen vreemdelingen en Nederlanders, maar dan wel in de vorm van een “toonplicht” (dus men mag bij controle het bewijsje ook even thuis gaan ophalen). De FNV nam onlangs overigens onomwonden stelling tegen legitimatie op de werkplek; een keer bij indiensttreding moet voldoende zijn. Ook over de methoden staan de neuzen dus nog niet direct gelijk.

Dat er wel iets moet gebeuren blijkt uit een ervaring in Amsterdam, die de commissie vermeldt. Daar werden bij controle van illegale naai-ateliers enkele tientallen illegale werknemers aangetroffen en opgepakt. Bij een herhalingsbezoek enkele weken later bleek dat de vervangers vers waren ingevlogen uit Turkije.

    • F. Kuitenbrouwer