Misverstand over de Economie van Genoeg

In zijn interview met NRC/Handelsblad 31 oktober jl. pleit dr Wijffels voor een publiek debat tussen politici, ondernemers en belangenorganisaties over de plaats van Nederland in de nieuwe wereld. Naar de mening van Wijffels biedt de zogeheten Economie van het Genoeg geen oplossing "want het predikt een statisch maatschappijbeeld'. Dit is een misverstand, want zo gesteld wekt het de indruk dat de voorstanders van een "economie van het Genoeg' een blauwdruk verdedigen van een bepaald type samenleving. Het tegendeel is het geval. Prediken doen ze al in het geheel niet, maar zij stellen wel een weg voor. Een weg die gegaan kan worden om de contradicties in de huidige economie te overwinnen. Die contradicties liggen niet meer op het terrein van kapitaal en arbeid, maar tussen enerzijds productie/consumptie en anderzijds armoede en milieu. Economische en sociale beslissingen dienen getoetst te worden op het alom gestelde doel, te weten een duurzame samenleving, waarvan de duurzame economie een onderdeel is. Anders gezegd: dragen economische en sociale beslissingen bij tot het voorkomen van verdere milieudegradatie, tot bestrijding van de armoede en tot verbetering van de arbeidssituatie - kwantitatief en kwalitatief?

Voor dr Wijffels is groei verbonden met het begrip vooruitgang. Maar moet vooruitgang altijd verbonden worden met meer (goederen en diensten)? Kan een meer kwalitatieve vooruitgang niet evenzeer vooruitgang betekenen? Betere lucht, schoner water, mooiere steden en dorpen, maar ook rust en meer aandacht voor elkaar - nationaal en internationaal - zal door velen gewaardeerd worden. Maar we moeten er wel wat voor over hebben.

In dit verband is het opvallend, dat dr Wijffels voor een duurzame ontwikkeling blijkbaar de oplossing verwacht van een terugdringen van de energie-intensieve productie, van het toepassen van andere grondstoffen en van het vervangen van vervuilende technieken. Zijn voorstellen liggen in de sfeer van de productie en dan valt het natuurlijk wel op, dat hij zwijgt over de betekenis van de eco-tax. Maar nog opvallender is zijn zwijgen over het voorstel van Westerlaken om met een loonbeheersing te komen tot een "nieuwe wereld'. Als Wijffels pleit voor een publiek debat, dan moet hij ook aan het door Westerlaken geëntameerde debat een bijdrage leveren.

De voorstanders van een Economie van het Genoeg hebben van het begin af een relatie gelegd tussen tenminste twee economische vraagstukken, te weten de noodzaak om de armoede terug te dringen (economisch uitgedrukt: het voorzien in de behoefte van meer dan één miljard mensen) en om verdere milieudegradatie te voorkomen. Zo gesteld wordt het dilemma onmiddellijk duidelijk, want voor de voorziening van deze behoeften is een grote productietoename noodzakelijk. Elke groei van de productie vraagt milieuoffers en gezien de thans alom erkende beperkte milieugebruikersruimte, dienen de gendustrialiseerde landen zich af te vragen of zij wel kunnen doorgaan met de wijze waarop thans geproduceerd en geconsumeerd wordt. Wijffels erkent dat zich in de productieprocessen grondige wijzigingen moeten voltrekken, maar hij zwijgt over de consumptiepatronen. Het is dit vraagstuk dat een plaats heeft gekregen in de "Agenda 21' van de UNCTED-conferentie. De regeringen van de westerse landen hebben zich verplicht hierover een wijzigingsproces in gang te zetten. Dit wordt een omvangrijke en naar het zich laat aanzien een nogal ingrijpende operatie. Terecht pleit Wijffels voor een publiek debat, een debat dat evenwel meer agendapunten bevat dan waartoe hij zich thans heeft beperkt.