Middenklasse in het onderwijs heeft voor hetere vuren gestaan

In de jaren zeventig heben enkele onderwijssociologen de stelling gelanceerd en verdedigd dat het onderwijs op zijn eigen wijze een bijdrage levert aan de reproduktie van de bestaande maatschappelijke ongelijkheid.

Dat is iets anders dan de slogan die Beatrijs Ritsema “meer dan welke andere ook met weerzin vervulde”. (NRC Handelsblad van 1 oktober). Volgens haar ging die slogan ongeveer zo: “Het onderwijs is niets anders dan een mechanisme ter reproduktie van de sociale ongelijkheid.” Tegen een dergelijke slogan zou ik ook bezwaren hebben. Het onderwijs is nog heel wat meer dan een instrument (geen mechanisme) dat de generatiegewijze continuering van maatschappelijke verschillen helpt bestendigen. Onderwijs draagt terdege bij aan sociale stijging (en daling) van individuele burgers en vervult emancipatoire functies waar grote groepen profijt van trekken. Het gaat om de balans tussen emancipatie en reproduktie en om de vraag naar welke van beide functies die balans soms doorslaat en hoe dat komt.

Onderwijs is in de visie van aanhangers van de reproduktie-gedachte allerminst een willoos apparaat, overgeleverd aan de grillen van de (kapitalistische) economie, dat stelselmatig en onveranderlijk de bestaande maatschappelijke orde probleemloos continueert: "een gigantische kopiëermachine', aldus de samenvatting van de huidige minister Ritzen in 1982 van de reproduktiethese. Dergelijke karikaturale voorstellingen van een serieus wetenschappelijk debat worden vaak gehanteerd wanneer sociale wetenschappers met een boodschap komen die sommigen niet bevalt. Zeker niet als het zoiets "moois' als het onderwijs betreft waarvan de positieve bijdrage aan het maatschappelijk welzijn immers boven elke verdenking verheven is. Dan reageren mensen op de manier van Ritsema die “de theorie eromheen” verafschuwt wegens “de claustrofobische indruk” die zij maakt en die op zoek gaat naar de uitzonderingen wier vader kolenboer was. Ritsema wordt op haar wenken bediend: in het recente proefschrift van Jan Brands (UvA, uitgave SUN) “Die hoeft nooit meer wat te leren” kan zij lezen hoe het dergelijke "sociaal gestegen' arbeiderskinderen is vergaan. Als zij het goed leest zal ook duidelijk worden dat deze "uitzonderingen' waarnaar zij zo hard heeft gezocht, heel goed passen in de door haar zo verafschuwde theorie.

Misschien helpt dat ook om de door haar gesignaleerde "neergang' van de middenklasse te helpen verklaren, een interessant probleem waarvoor aanzienlijk minder aandacht bestaat in het sociaal-wetenschappelijk onderzoek. De middenklasse vormt een sociale laag waarvan de vloer steeds poreuzer wordt, aldus Ritsema, zodat die arme academische ouders hun kinderen nauwelijks door het Havo gesleurd krijgen of moeten toezien dat hun kinderen “werken aan de balie van een reisbureau”.

Nu weet iedereen dat het onderwijsniveau in dit land fors is gestegen de afgelopen decennia en dat inderdaad de kans dat secundaire selectiecriteria als huidskleur, geslacht, afkomst accent en culturele bagage gaan meetellen in de beoordeling, bijvoorbeeld bij sollicitaties van kandidaten die eenzelfde onderwijsniveau te bieden hebben. Hoe Ritsema aan de vaststelling komt dat dit ingaat tegen de maatschappelijke trend waarin dergelijke discriminatie “steeds minder acceptabel wordt” zou interessant zijn om te vernemen. Andere geluiden worden evenzeer gehoord.

Inderdaad, die middenklasse gaat er helemaal niet aan onderdoor, daarvoor lijkt geen aanleiding aanwezig. Integendeel, het lijkt erop dat de middenklasse in omvang toeneemt, vergeleken met andere sociale lagen in onze maatschappij. Dus met die openvallende plaatsen valt het ook wel mee en het is zeker niet zo dat de sociale mobiliteit een soort gesloten verwarmingscircuit is: twintig procent sociale daling (waar komt dat cijfer trouwens vandaan?) wordt niet noodzakelijkerwijze gecompenseerd door twintig procent sociale stijging.

Was het maar zo eenvoudig. Wat er wel aan de hand kan zijn blijft een interessante vraag. Zou het kunnen zijn dat de waarden van de middenklasse, die sowieso aan slijtage onderhevig zijn zoals ook Ritsema vaststelt, steeds minder corresponderen met de waarden, normen en idealen die de kinderen van die ouders in het onderwijs praktizeren en waarvoor zij in dat onderwijs ondersteuning vinden? Een nieuw soort "milieubreuk' en deze keer niet die van de kloof tussen school en arbeidersmilieu, maar die tussen middenklasse en onderwijs. Waar het onderwijs intrinstieke motivatie propageert en dus maar schaars gebruik maakt van externe sancties om de leerlingen aan het werk te houden, komt in de ogen van de ouders uit de middenklasse, de controle volledig op hen neer. Deze ouders kunnen niet meer volledig rekenen op de school als de vertrouwde bondgenoot en, aangewezen op eigen kracht, vallen zij door de mand en zakken hun kinderen door de vloer van hun eigen statusgroep.

Zolang het duurt overigens; de middenklasse heeft voor hetere vuren gestaan en is gewend haar invloed in het onderwijs te gebruiken om de zaak naar haar hand te zetten, zoals de onderwijsgeschiedenis ons leert.