Machinegeweer

Soms grijpt de Nederlandse politie wèl in.

Halverwege de avond van 20 oktober 1990 priemt de lichtbundel van een zaklantaarn in het gezicht van Maarten Hendriks (28), die op de oever van de Brabantse Steenkamerplas op karpers zit te vissen. Tegenover de nietsvermoedende hengelaar staan twee agenten en een blaffende herdershond. Hendriks, luidt de boodschap, moet onverwijld meelopen naar een verderop geparkeerde Volkswagen. Het Golfje blijkt omringd door zes wagens van de politie (“Je kon er alleen nog mee opstijgen”). Twintig dienders wachten de veronderstelde eigenaar op.

Uitleg krijgt Hendriks niet. Als hij verklaart de auto van zijn broer Bart (25) te hebben geleend, wordt hij in het duister met zijn benen wijd tegen de carrosserie gezet en gefouilleerd. “Is dit machinegeweer van u?”wijst een adjudant. Machinegeweer? Plots begint het Hendriks te dagen. Bart heeft enkele dagen geleden op de kermis in Waalre touwtje getrokken en in ruil voor vijf kleine prijzen een flink waterpistool gekregen. Verdomd, daar ligt het: op de achterbank.

Hendriks' uiteenzetting overtuigt de politie niet. Hij wordt in de boeien geslagen, naar het bureau getransporteerd en uitvoerig verhoord. Beseft hij dat met dit uzi-achtige speelgoed (made in Taiwan) bankovervallen worden gepleegd? Dat criminelen er in postkantoren en benzinestations honderdduizenden guldens mee hebben buitgemaakt? En is hij soms óók zoiets van plan? Hendriks schudt het hoofd: driewerf nee. In zijn persoon is “echt geen lid van de roemruchte Kempenbende of de plaatselijke mafia” gearresteerd. Wachtmeester Van Gijn, die de operatie op touw zette nadat een collega tijdens een patrouille het gewraakte wapen in de auto had zien liggen, wijst hem terecht: het bezit van zulke waterpistolen geldt in dit land als een misdrijf. De nachtvisser en zijn broer zullen er nog van horen.

Het blijft anderhalf jaar stil. Maar begin '92 vallen bij Maarten en Bart Hendriks alsnog twee schikkingen à ƒ 100,- op de deurmat. Ze weigeren de boetes te betalen (“Het is een flauw soort wraak van mensen die in hun hemd hebben gestaan”). Morgenochtend zullen ze zich voor de arrondissementsrechtbank in Den Bosch verdedigen tegen de aantijgingen van de officier van justitie.

Voor hem hebben de broers een prangende vraag in petto. Hun kameraad Luc Uyen won eveneens op de kermis zo'n fake-wapen. Na een avond stappen in Eindhoven stelde hij vast dat het uit zijn Alfa Romeo was ontvreemd. De diefstal werd bij toeval opgehelderd door een kennis: Dré Buys, agent in die stad. Routineus bladerend in wat politierapporten stuitte hij op de naam van Uyen. Volgens het vertrouwelijke verslag hadden collega's van de Hermandad in diens wagen "een pistoolmitrailleur' ontwaard, waarop een portier was geforceerd en het quasi-machinegeweer in beslag was genomen. Waarom Luc Uyen daarvan niet op de hoogte werd gebracht, vermeldden de stukken niet. “Bovendien”, lacht Maarten Hendriks, “is het volstrekt onduidelijk waarom onze vriend - anders dan mijn broer en ik - geen vervolging ten deel valt.

“Het enige wat al die politiemensen goed hadden kúnnen doen, hebben zij nagelaten: mij bekeuren, omdat het verboden was die avond in de Steenkamerplas te vissen.”