Iraakse Koerden wacht een zware winter

SAYID SADIQ, 10 NOV. Mahmoud Abdullah Selman werkt stug door. Het lemen huisje dat hij naast de khaki-groene tent aan het optrekken is, is zo goed als klaar. Het dak is nog niet helemaal dicht en de binnenwanden zijn nog niet helemaal glad, maar dat is alles wat er nog aan mankeert. Voor de winter invalt, hebben de twaalf leden van zijn familie in ieder geval een onderkomen dat meer bescherming biedt tegen de kou en de regen dan de krappe tent waarin ze nu bivakkeren.

Het is meer dan waarover de meeste mensen in Sayid Sadiq beschikken. Een stadje met zo'n 25.000 Koerdische inwoners in de provincie Sulaimaniyah, aan de Iraanse grens, dat in 1986 door het Iraakse bewind volledig werd verwoest. Nu Noord-Irak de facto onafhankelijk is, is een deel van de destijds gedeporteerde bewoners teruggekeerd om op de puinhopen van hun voormalige bezittingen een nieuw, vooralsnog moeilijk, bestaan op te bouwen. Anderen, als Selman, zijn vluchteling in eigen land. Verbannen uit door Bagdad gecontroleerde provincies als Baqubah en Kirkuk, of afkomstig uit grensplaatsjes als Kalar en Kifri, die in het afgelopen jaar nogal eens in het schootsveld van de Iraakse militairen hebben gelegen.

Ze zijn in Sayid Sadiq neergestreken omdat hier tenminste voedselhulp wordt geboden en de internationale hulporganisatie Artsen Zonder Grenzen tot voor kort medische ondersteuning gaf. Een taak die inmiddels is overgedragen aan het regionale ministerie van gezondheid. Bovendien profiteert Sayid Sadiq van de inentingscampagne die het kinderfonds van de Verenigde Naties, Unicef, binnenkort in Noord-Irak start. Evenals het onderwijsprogramma dat 180 dorpen aan een school moet helpen, zo'n 20.000 kinderen dagelijks van een warme maaltijd gaat voorzien en op basis waarvan een half miljoen schoolboeken, schriften en schrijfmateriaal in Noord-Irak worden verspreid.

Yonadan Yusef Kanna, de Koerdische minister voor wederopbouw, schat dat zeker nog 500.000 van de 3,5 miljoen inwoners van Noord-Irak in tenten of tijdelijke onderkomens leven. Een situatie die zich zowel op het platteland als in de steden aftekent. De 4.500 verwoeste Koerdische dorpen in Noord-Irak worden weer opgebouwd, maar het is een proces van lange adem. Het uitgangspunt is dat de plattelandsbewoners eerst aan tijdelijke behuizing worden geholpen, vervolgens worden de akkers weer bewerkt en pas daarna kan er gedacht worden aan de bouw van een écht huis.

Volgens Salahaddin al-Haffid, de minister van economie en financiën, is in de afgelopen maanden tussen de 40 en 45 procent van de akkers weer bebouwd. Maar omdat de Koerdische regering nauwelijks over financiële armslag beschikt, is een deel van de oogst door de boeren aan Irak en Iran verkocht, die hogere prijzen boden. De VS hebben 10.000 ton tarwezaden ter beschikking gesteld om Noord-Irak in de lente aan graan te helpen. Maar de zaden hebben de regio nog steeds niet bereikt, terwijl er eigenlijk - nu de winter elk moment kan invallen - al gezaaid had moeten worden.

In de steden is de situatie niet veel beter. Arbil, Dohuk, Zakho en zeker Sulaimaniyah met een inwonertal dat de miljoen inmiddels rijkelijk overschrijdt, zijn in korte tijd uit hun krachten gegroeid. Voormalige politiebureaus en gevangenissen doen nog steeds dienst als onderkomens voor de tienduizenden families die na de mislukte Koerdische opstand tegen de gewraakte Iraakse leider Saddam Hussein maart vorig jaar dakloos raakten. Steeds meer mensen beschikken nauwelijks nog over enig geld wat de handel in niet alleen tweedehands kleding, maar ook in tweedehands huisraad en andere luxe goederen aanwakkert.

De Verenigde Naties hebben berekend dat in de komende wintermaanden zeker 750.000 Koerden in Noord-Irak het hoofd niet boven water zullen houden als hen geen voedselhulp wordt geboden. Een hulpprogramma dat - samen met de distributie van brandstof - rond de 85 miljoen dollar kost. Een belangrijk deel van het geld is inmiddels beschikbaar (43 miljoen dollar door de VS, 20 miljoen door de Europese Gemeenschap en 5,5 miljoen dollar door Groot-Brittannië). Muhannad Hadi, die in Sulaimaniyah het bureau leidt van het Wereld Voedsel Programma, een VN-organisatie, verklaarde dat de verdeelsleutel er als volgt uitziet: de voedselhulp richt zich op 350.000 mensen in Sulaimaniyah en 270.000 en 130.000 in respectievelijk de provincies Arbil en Dohuk.

Een missie van de VS en de EG, die vorige maand Noord-Irak bezochten, is evenwel van mening dat het scenario van de VN aan de optimistische kant is. Volgens haar is de nood in feite veel groter. Zeker 1,5 miljoen Noordiraakse Koerden zullen in de winter aangewezen zijn op internationale hulp. Alle hulp had beduidend eerder op gang kunnen komen, als de VN eerder met Bagdad tot overeenstemming was gekomen. Pas op 22 oktober werd duidelijk dat er deze winter in Noord-Irak inderdaad voedsel- en brandstofhulp kan worden geboden.

De VS beginnen met de hulpoperatie vanuit Turkije zo gauw de eerste 10 miljoen dollar wordt vrijgegeven, aldus Mary-An Whitten van de Amerikaanse Informatie Dienst in Ankara. “Het plan is om die eerste geldstroom vooral aan te wenden voor de aanschaf van brandstof.” Volgens de EG-functionaris verschillen de prijzen daarvan in Turkije en in Irak niet zo veel. “Bagdad wil voor elke ton 239 dollar, terwijl Turkije een bedrag van 290 rekent.”

De Koerden in Noord-Irak hebben inmiddels al hun eigen, ietwat destructieve maatregelen genomen, wat betreft de brandstofvoorziening. Al maandenlang zijn mannen, vrouwen en kinderen in de weer om hout te sprokkelen. Volgens Fuad Massum, de Koerdische premier, is inmiddels in de provincie Arbil al tenminste eenderde van de bomen gekapt.

“Op het platteland biedt hout enig soelaas, maar de huizen in de stad zijn er niet op gebouwd om op een houtvuurtje je potje te koken”, zegt een Unicef-vertegenwoordiger in Sulaimaniyah. Zij verwacht dat er kinderen zullen stikken als gevolg van koolmonoxidevergiftiging als de distributie van brandstof nog lang op zich laat wachten.

VN-functionarissen in Ankara zeggen enigszins verbitterd dat de vertraging van de hulpoperatie voor de Koerden in Noord-Irak niet alleen op het conto van de VN-organisaties mag worden geschoven. “Als de internationale wereld ook zelf tot het besef was gekomen dat de hulp voor Noord-Irak eigenlijk al voltooid had moeten zijn, dan waren we nu een stuk verder geweest”, aldus een van hen. “Het lijkt er op dat de honger en de ellende eerst zichtbaar moet worden, voordat de wereld zich écht druk maakt om het lot van de bevolking in Noord-Irak.”