Intuïtief componeren heeft pas zin na strenge vorming

Concert door Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard. Werken van Górecki, Ketting, Boulez en De Vries. Gehoord: 9/11 De Doelen, Rotterdam. Herh. 10/11 Paradiso, Amsterdam, 11/11 De Oosterpoort, Groningen, 12/11 Dr. Anton Philipszaal, Den Haag.

Sommige muziekstukken vallen op door hun merkwaardige glasachtige klank: Ruynemans Hieroglyphen, Schönbergs Herzgewächse, Boulez' Le Marteau sans Matre, Eclat en Répons. Het zijn stuk voor stuk bezettingen met instrumenten die lang naklinken zoals celesta, vibrafoon en klokken. Bij Schönberg verwijst de surreëel tinkelende instrumentatie naar de tekst, waarin sprake is van glas en in de overige werken spreekt zeker de Oosterse esthetiek een belangrijke rol. Belangrijker nog: het zijn ook stuk voor stuk meesterwerken, zeker Eclat waarmee maandagavond het concert van het Nieuw Ensemble in de Rotterdamse Doelen zijn absolute hoogtepunt bereikte.

Dirigent Ed Spanjaard beheerst de partituur tot in zijn vingertoppen. Pianist John Snijders, die de belangrijkste partij had, liet de piano ook werkelijk als een glasinstrument klinken: nergens zwoegend en zwaar, maar uiterst precies en splinterscherp tot in de snelste passages toe: zeldzaam opwindend!

Zo detaillistisch als Boulez is, zo elementair componeert Henryk Mikolaj Górecki. In Koncert uit 1957 is de invloed van Webern nog te groot om van een persoonlijke verwerking te spreken, maar in Genesis II uit 1962 vol huilende glissandi en inkrimpende en uitdijende clusters is er wel die directheid van uitdrukking, die het kenmerk is van Górecki en ten slotte zou voeren naar zijn meditatieve periode die hem grote naamsbekendheid heeft gegeven. Maar ik houd minstens zoveel van die vroegere, elektrisch geladen oermuziek, die nog even overrompelend overkomt als in de jaren zestig, veel meer dan bij Penderecki's vergelijkbare bruïtistische composities. Blijkbaar blijven sommige werken revolutionair.

Het programma was zinvol samengesteld, want de muziek van Klaas de Vries tendeert in zijn geraffineerde detaillistisch uitgewerkte instrumentatie naar Boulez: het slot van het tweede deeltje uit Instrumental Music from Erendira zou zo door Boulez kunnen zijn geïnstrumenteerd, terwijl Otto Kettings De Overtocht (1992) eigenlijk een grote lijn tracht vast te houden, traag en laag. Instrumenten als altviool, cello en lage fluit blijven over: in wezen even elementair als Górecki. Toch kan ook De Vries langere lijnen trekken, zoals in het deeltje Remembering the past, een soort van instrumentaal lied voor de trombone met een Strawinskyiaanse allure.

De muziek betreft een nieuwe, sterk herziene versie van een vroegere suite uit dezelfde kameropera naar Marquez' De ongelooflijke maar droevige geschiedenis van de ongelukkige Erendira en haar harteloze grootmoeder, waarin het droomachtige meisje Erendira door nalatigheid het huis in brand steekt en om de herbouw te kunnen terugbetalen door haar grootmoeder tot prostitutie wordt gedwongen. In de nieuwe versie zijn de liedjes en aria's grotendeels vervangen door instrumentale delen. Ook zonder kennis van de scenografie werkt de nieuwe suite uitstekend als een zelfstandige instrumentale compositie, waarin tango's en het centrale deeltje The Fire de meer tastbare elementen vormen in een overwegend droomachtig geheel. Slaapwandelende dromen vormen het steeds terugkerende thema.

Kettings De Overtocht was gisteravond eigenlijk het enige werk dat uitvoeringstechnisch nog niet geheel beheerst overkwam. De Overtocht ontkent als het ware de tinkelende kwaliteit van de typische bezetting van het Nieuw Ensemble, ook al door prominente partijen voor trompet en trombone. Inspiratie boden de eerste drie regels van het gelijknamige gedicht van Marsman: de eenzame zwarte boot vaart in het holst van de nacht door een duisternis, woest en groot. Eigenlijk vind ik de climax met buisklokken en koperfanfare meer uitbundig dan woest, maar elementair is dit verkapte orkeststuk zonder meer.

In deze tijd staat een eenvoudiger componeertrant in neo-romantische zin centraal. De complexiteit van de seriëele en aleatorische muziek treft men nog maar zelden aan. Een eenvoudige schrijfwijze heeft echter pas zin als een complexere is overwonnen, zoals ook intuïtief componeren pas zin heeft na een strenge vorming. Componisten als Górecki en Ketting kunnen zich die eenvoud permitteren.