Hulp Oost-Europa is niet primair een overheidstaak

De toenemende politieke en sociale instabiliteit in grote delen van Oost-Europa is verontrustend en heeft alle alarmsignalen in werking gesteld. Er is niet veel keuze. Of het Westen zet zich alsnog met volle kracht in om de hervormingen in Oost-Europa tot een begin van succes te brengen, òf het zal spoedig moeten toezien hoe het onomkeerbaar geachte democratiseringsproces op diverse plaatsen in dat gebied afbreekt. De mogelijke gevolgen daarvan laten zich raden, ook voor onze samenleving.

Al lange tijd leeft de wens in de Kamer om aan het moeizame hervormings- en verzelfstandigingsproces in Oost-Europa een grotere bijdrage te leveren. Iedereen realiseert zich hoe labiel de situatie daar is. In dit opzicht is een vergroting van het hulpbudget alleszins te rechtvaardigen.

De cruciale vraag is echter waaruit extra hulp moet worden betaald. Het zogeheten vredesdividend (de middelen vrijkomend uit bezuinigingen bij defensie) is grotendeels besteed aan binnenlandse consumptieve wensen. Een verdere bezuiniging op defensie is met het oog op toekomstige VN-taken en de toenemende internationale instabiliteit niet verstandig. De economische stagnatie maakt het verder nauwelijks mogelijk extra hulp uit de minimale groei van onze economie te financieren. Een herschikking van uitgaven binnen de Rijksbegroting is derhalve de enige weg. Maar dergelijke verschuivingen zijn niet eenvoudig te realiseren, vragen grote prudentie en kunnen niet op korte termijn worden uitgevoerd.

Maar een discussie over meer hulp zonder te weten hoe en waar die moet worden ingezet is zinloos en leidt tot meer verspilling. De huidige praktijk toont aan dat hulp op zichzelf maar weinig effect sorteert als deze zich praktisch alleen afspeelt tussen overheden. De bureaucratie - die van de EG voorop - en de steeds groter wordende polarisatie leiden ertoe dat hulpprogramma's verzanden in definitiekwesties en competentiestrijd. Veel van de hulp "verdampt' nog voordat ze ter plaatse is. Midden- en Oosteuropese landen zouden heel wat directer kunnen worden geholpen als naast hulp "van bovenaf' vooral hulp "van onderop' zou worden gegeven.

Deze vorm van hulp zou kunnen worden verleend door samenwerking tussen Westerse en Oosteuropese ondernemers, organisaties en instellingen. Op dat niveau loopt de zo broodnodige uitwisseling van ervaring en know how het gemakkelijkst; daar kan men elkaar op "menselijke maat' met kennis en ervaring verrijken, daar bestaat directe betrokkenheid bij de problemen waarvoor men zich gesteld ziet. Met een vorm van medefinanciering zou het hele proces moeten worden ondersteund.

Door maatschappelijke organisaties, kerkelijke en culturele instellingen worden al vele hulpprojecten voor Oost-Europa opgezet. Zo zijn in Hongarije tientallen sociaal-maatschappelijke projecten begonnen en van enige financiering voorzien. Ook de Stichting Maatschappij en Onderneming (SMO), met drie breed opgezette, integrale landbouwprojecten in de voormalige Sovjet-Unie getuigt van de bereidheid hulp te bieden aan de ontwikkelingen in Oost-Europa.

Idealiter zou het Nederlandse hulpbeleid zich tot een drie-sporenbeleid moeten ontwikkelen waarbij de overheid zich concentreert op het scheppen van de voorwaarden en de opbouw van infrastructuur. Het bedrijfsleven zou zich primair moeten richten op concrete bedrijfsprojecten en handel terwijl culturele, maatschappelijke en kerkelijke organisaties zich vooral zouden moeten inzetten voor de opbouw van een maatschappelijk middenveld. Deze aanpak waarbij elke deelnemende partij vanuit zijn sterkte een bijdrage levert aan de ontwikkelingen in Oost-Europa, zal meer succes opleveren dan de optelsom van projecten in de huidige overheidsaanpak.

Verder is het noodzakelijk dat de hulpprogramma's van de overheid meer worden toegesneden op het bieden van culturele, sociale en politiek-maatschappelijke ondersteuning. Geen enkel economisch hulpprogramma zal slagen als de cultureel-maatschappelijke ontwikkelingen in de betreffende Oosteuropese landen achterblijven.

Natuurlijk zal, om dit soort initiatieven aan te moedigen en tot een eerste succes te brengen, overheidssteun vooralsnog onontbeerlijk blijven. Niet in de vorm van het openen van een nieuw loket voor projectontwikkelaars en consultants. Maar overwogen zou kunnen worden een gedeelte van de hulp aan Oost-Europa in de vorm van program-financiering te delegeren aan maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Daar horen uiteraard goede afspraken bij. Afspraken over aard en uitvoering van de projecten en de eigen bijdrage daarin van de betrokken instellingen. Want het kan niet zo zijn dat de rekening van maatschappelijke en economische idealen uiteindelijk weer bij de overheid terecht komt.