Het kind

Wat is er de laatste tijd toch tegen leuk? Woorden van Annemarie Oster, die dit schreef na zeer neerslachtig te zijn geworden van een avondje televisie kijken. Het antwoord is op zichzelf heel eenvoudig. Daar is niets op tegen, geachte mevrouw Oster, op voorwaarde dat het leuk is en we het over het bijbehorende criterium eens zijn. Dat laatste zal wel nooit het geval wezen. Terwijl die humorist uit Twente Herman Finkers mij met zijn pretoogjes en malle teksten een genoeglijke avond bezorgde, schijnen anderen zich met oprispingen te hebben afgewend. Nu gaat het hier over doelbewuste, bedachte humor. Het allermooiste is natuurlijk humor die als een bliksemflits in de bedenker opkomt. Soms lijkt die zelfs een beetje buiten hem om of haar te gaan, die ze veroorzaakt.

Ik noem u een voorbeeld uit de tennissport. Vorige week in Parijs-Bercy speelde die ene overgebleven musketier van Frankrijk, Henri Leconte, enkele prachtige partijen. Hij won ze, maar getrouw aan zijn reputatie en karakter wankelde hij soms langs een afgrond, want consistent goed spelen is hem een onmogelijkheid. Hij speelt op intuïtie en varieert tussen briljant en helemaal niets. Dat is juist het aardige bij die man. Man? Eigenlijk een kind. Zijn bloedeigen kind zat trouwens op de tribune en toen papa had gewonnen mocht het jongetje (5? 6?) de baan op om in de overwinning te delen. Leconte lachte tegen hem en de voor ons onhoorbare conversatie had, voor wie sentimentele gevoelens niet vreemd zijn, bijna iets ontroerends dat zelfs de humor te boven ging.

Maar een Franse krant plaatste de volgende dag een cartoon waarin Leconte kennelijk wenend achter zijn handdoek zat weggekropen, terwijl het ventje zei: “Papa, je hebt mij toch”. Niettemin so far so good dacht ik. Maar in het hierop volgende interview op de buis zaten vader en zoon naast elkaar voor de camera. Het kind liet de beentjes bungelen en had uiteraard niets te melden, maar was toch voortdurend in beeld. Ik sprak iemand, die zijn tranen de vrije loop had gelaten bij dit shot, maar mijn traanklieren bleven kurkdroog. De verkeerde show Henri! Een dagje later had Leconte opgegeven en verscheen opnieuw in de televisieruimte. Gelukkig had hij ditmaal de kleine Maxim thuisgelaten. Hij had trouwens weinig te melden, behalve dan dat zijn achillespees dermate opspeelde dat hij onmogelijk kon spelen. Dat zal hem vermoedelijk een paar honderdduizend dollar kosten, maar hij zal er niet van aan de bedel-staf geraken.

Een week tennis in Parijs levert de gesterkte overtuiging dat het krachtsverschil tussen de toppers vooral wordt bepaald door de mate waarin zij willen winnen. Agassi was verschenen om contractbreuk te voorkomen. Hij was uitermate slecht voorbereid en liet zich door de veteraan Gilbert neuriënd afschminken. Boris Becker daarentegen had zijn zinnen op toernooiwinst gezet en zich prima op de wedstrijden ingesteld. Hij won dus. Ivanisevic had tot en met de finale in het toernooi van Stockholm meegedraaid en spaarde zich zoveel mogelijk. Maar eenmaal tegen Becker op de baan was sparen onmogelijk. Toen kwam de Kroaat conditie tekort en Becker liet weinig spanen aan hem heel. Maar waarom was Boris dan zo gretig? Hij had pas nog Bazel gewonnen en daar zoveel punten verzameld dat er plotseling een mogelijkheid opdoemde om zich te plaatsen voor de prestigieuze ATP-finales in Frankfurt, halverwege deze maand. Daar dreigde nauwelijks een Duitser te mogen verschijnen, want alleen de nummers een tot en met acht van de wereldranglijst hebben er toegang. Maar na Bazel en Parijs kan Frankfurt zijn "Barbarossa' inlijven.

Eén van de weinigen voor wie de wereldranglijst niet heilig is, is Jim Courier. “Het maakt mij niet uit of ik een, twee of drie sta, zolang daarmee niet het bewijs wordt geleverd dat mijn slagen beter zijn geworden dan ze waren”. Toen hem werd gevraagd wat hij vond van het standpunt van Pete Sampras, die meende dat hij geen recht op de nummer één-positie had omdat hij dit jaar geen enkel Grand-Slamtoernooi had gewonnen, keek Courier de vraagsteller met het koudste ogenpaar van het westelijk halfrond aan en bromde, dat dit onzin was. “Wie op de eerste plaats staat, staat daar altijd terecht. De punten wijzen het uit”. Meent hij dat, of zijn woorden er om de gedachte te verbergen?