Het déjà-vu-gevoel van het centraal overleg

Je waant je terug in het begin van de jaren zeventig. In het overleg op centraal niveau kunnen overheid, werkgevers en werknemers het maar niet eens worden. Het kabinet dreigt met een maatregel om de lonen een half jaar lang te bevriezen. De dramatische wending die het overleg tussen kabinet en sociale partners vorige week dreigde te nemen, riep bij mij een sterk déjà-vu-gevoel op. De cyclus van falend centraal overleg en herinvoering van een geleide loonpolitiek leek opnieuw te worden afgedraaid. Het kabinet was gelukkig zo verstandig af te zien van toepassing van het uiterste middel. Had het dat wel gedaan, dan was het broze evenwicht in de arbeidsverhoudingen dat sinds 1982 is opgebouwd voor lange tijd verstoord.

Het gedrag van het kabinet vertoont alle symptomen van paniek. In feite beschikt de overheid niet meer over de wettelijke middelen voor een ingreep in de lonen. De herziene Loonwet staat uitsluitend een loonmaatregel toe indien sprake is van een acute noodsituatie.

Hoe slecht de economische vooruitzichten op het ogenblik ook zijn, ze rechtvaardigen zeker geen noodmaatregelen. Natuurlijk zijn er altijd tijdelijke noodwetjes in elkaar te timmeren die de regering de gevraagde bevoegdheid geven. Het kabinet-Den Uyl heeft in 1974 en 1976 tweemaal van dergelijke gelegenheidswetgeving gebruik gemaakt om in de lonen te kunnen ingrijpen.

Lezers van deze krant hebben kennis kunnen nemen van de meningen van twee gezaghebbende PvdA-economen. Hun opvattingen staan lijnrecht tegenover elkaar, maar op één punt zijn zij het eens. Ze vinden beiden dat het kabinet probeert zijn eigen verantwoordelijkheid te ontlopen door alle nadruk te leggen op loonmatiging. Eén van hen, de monetarist E.J. Bomhoff, tracht het effect van loonmatiging te bagatelliseren door een vergelijking te trekken met het Duitse loonkostenpeil. Dat is niet zo erg slim opgemerkt. Het komt immers aan op de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven op de Duitse markt ten opzichte van landen met zwakke munten, zoals Groot-Brittannië en Italië, die goedkoper kunnen aanbieden.

Het doel van de loonmatiging is vooral de voor ons land nadelige gevolgen van de recente wisselkoerscorrecties zoveel mogelijk te neutraliseren. Daarbij dient dan nog te worden bedacht dat de sterke positie van de gulden het gevolg is van de jarenlang betrachte loonmatiging. Het kabinet volgt met deze beleidslijn het advies van een andere econoom, de directeur van het Centraal Planbureau, G. Zalm. Naar diens mening worden we in 1993 geconfronteerd met een schokeffect. We krijgen dan een klap van de forse niveaucorrecties van de wisselkoersen. De schade die we daarvan lijden kunnen we te boven komen als we adequaat reageren. En dat moet volgens Zalm betekenen dat de lonen de nullijn volgen. Anders komen de werkgelegenheid en de winstgevendheid van de bedrijven in gevaar.

Loonmatiging heeft wel degelijk zin, maar het is de vraag of dit de enige lijn is die moet worden gevolgd. Een centraal akkoord vraagt om een volledige ruil als het meer wil zijn dan een vrijblijvende intentieverklaring (zoals het Gemeenschappelijk beleidskader van 1989). De werkgevers zouden dan meer dan tot dusver bereid moet zijn afspraken te maken over werkgelegenheid. Van de overheid mag worden verwacht dat ze lastenverlichting aanbiedt en een beleid voert dat voorkomt dat de economie nog verder wegzakt. In de situatie waarin overheid en ondernemingen dreigen te geraken is een dergelijke afruiltransactie niet gemakkelijk tot stand te brengen. Dit bleek gisteren toen het overleg opnieuw vastliep. De formule voor een afruil die geen verliezers oplevert is waarschijnlijk niet te vinden.

Volgens het ontwerp-advies van de Sociaal-Economische Raad over de revitalisering van de overlegeconomie mogen van het centraal overleg geen overdreven verwachtingen worden gekoesterd. Het succes ervan moet niet worden afgemeten aan het bereiken van concrete afspraken. Dat miskent de betekenis van de decentralisatie in onze arbeidsverhoudingen.

De waarde van centraal overleg is volgens de SER dat er een gunstig klimaat wordt geschapen tussen overheid en sociale partners die zich kunnen vinden in gezamenlijke analyse van de problemen en gezamenlijke beleidsoriëntaties om vervolgens hun gedrag vrijwillig aan te passen.

Dat klimaat dreigde grondig te worden bedorven door het dreigement van minister De Vries van sociale zaken. Ook nu nog is de druk waaronder moet worden onderhandeld zo groot, dat praten over een "constructieve sfeer' een eufemisme lijkt.

Zou het kabinet het SER-advies werkelijk serieus willen nemen, dan zou het moeten beseffen dat concrete afspraken over bevriezing van de lonen evenmin haalbaar zijn als het opleggen van een eenzijdig dictaat. De overlegeconomie werkt niet meer volgens een achterhaald centralistisch model.