Een bedje van handen Tirade 342. Van Oorschot, 93 ...

Een bedje van handen Tirade 342. Van Oorschot, 93 blz.ƒ17,50

Wedstrijdje biografie Granta 41, Biography. Penguin Books, 256 blz., ƒ30,05

Een bedje van handen

De rubriek "Herlezen' van Tirade, waarin moderne Nederlandse klassieken aan bod komen, was de vorige keer gewijd aan Oek de Jong en ditmaal aan Frans Kellendonk. Pleitte Robert Anker in zijn "Herlezen' over Oek de Jong voor een "Vergeet-me-niet-prijs' voor Opwaaiende zomerjurken uit 1979, in het geval van Kellendonk (1951-1990) hoeft hij voor literaire vergetelheid voorlopig nog niet bang te zijn. Een dezer dagen verschijnt bij Meulenhoff zijn Complete Werk in één band, door de uitgever aangeprezen als "lichtend voorbeeld van intelligentie, stijl, ideeënrijkdom en moed, waarmee het de literatuur van deze eeuwhelft markeert'.

Ankers grootste waardering gaat uit naar Kellendonks verhaal "Buitenlandse dienst' uit Namen en gezichten (1983). Mystiek lichaam, zijn laatste boek, uit 1986, vindt Anker wel belangrijk maar grimmig en kil - “hoewel ik zeker meen te weten dat onder Kellendonks brille het vuur van het mededogen brandt, van koudvuur wordt de lezer niet warm. (-) Daar komt nog bij dat Mystiek lichaam zo nadrukkelijk een ideeënroman wil zijn dat de personages staketselachtig zijn geworden en de opbouw van het verhaal zelf in de verdrukking is gekomen.” Menigeen zal het met deze helder en doeltreffend geformuleerde kritiek eens zijn.

Iets buitenissiger en fascinerend is Ankers bezwaar tegen de afstandelijkheid van Kellendonk, ook en juist waar hij schreef over liefde, dat begeerde gevoel voor een enkel mens of de medemens. “Het is merkwaardig, misschien zelfs wel tragisch om te zien hoe iemand zijn zucht naar het persoonlijke, uit angst voor het al te persoonlijke - de koudwatervrees van zijn generatie - opneemt in een onpersoonlijk visoen dat hij uitvoerig heeft uitgewerkt in Mystiek lichaam, en daar als onbereikbaar heeft gesteld vanwege onze zonden: materialisme, zelfzucht, hoogmoed en... homosexualiteit.”

Paul Meeuws, van wie Van Oorschot eerder het debuut Badhuis in de sneeuw publiceerde - en Van Oorschot is, anders dan andere uitgevers, zorgvuldig zuinig met debutanten - begint dit nummer van Tirade met drie korte verhalen waarvan er twee op een school spelen. Meeuws neigt nu en dan naar overdaad in het mooie. Over een erg lange puber: “Zijn lichaam kan geen bijval verdragen. Het bungelt, bij wijze van buiging, al te meegaand als een lege jas aan het knikkende hoofd. (De hand die hem bedient kan een marionet geen schouderklopjes geven.)” Waar de schrijver net iets eenvoudiger blijft weet hij vaak zijn beelden sterk te doen spreken. Zie zo'n lief maar ongeïnteresseerd kind voor in de klas: “Simone, gedienstig vooraan, tilt haar hoofd, bleek van de slaap, uit het bedje van haar twee handen. Haar blik komt, als die van visseogen, niet verder dan het glas van haar bril.”

Toine Moerbeek keek naar de vrouwennaakten van de schilder Félix Vallotton en stelt, louter uit mannenoogpunt bezien, vast dat ze weliswaar onwelvoeglijk, hoerig en onflatteus zijn, maar realistisch. “Het hurkend model drukt met haar knieën haar weelderige borsten op, daarmee elke illusie over het vrouwelijk schoon tartend. Toch ziet een hurkende vrouw er zo uit. Wie zich geschokt afwendt, legt daarmee nog niet meer respekt voor de vrouw aan de dag dan diegene die geboeid toeziet of ervan geniet. De kwestie is alleen dat een vrouw zich zo niet toont. De pose is onwelgevoeglijk. Menig man gaat echter naar een prostituée, uitsluitend omwille van dit onwelgevoeglijk beeld. De lust wil rommelen aan de taboes, conventies zijn funest.”

Moerbeek ervaart ook Vallottons landschapschilderijen als totaal coïtaal. Heel persoonlijk wordt hij wanneer hij zijn visie op de liefdesdaad prijsgeeft om het vaak bij Vallotton gebruikte begrip "vrouwenhaat' te illustreren. “In bed met een vrouw is het moment van de penetratie even gelukzalig als angstaanjagend, omdat wij op ons dooie eentje afstevenen op de bevrijding die we wel en niet willen. (-) Impotentie is een slappe lach (-) die ons dicht bij het vrouwelijk fenomeen brengt waarnaar wij verlangen, (-) Onverschilligheid en onmacht zijn de twee componenten van het mannelijk vermogen om de vrouw lief te hebben.” De coïtus is volgens Moerbeek een volstrekt eenzame daad, niks versmelting - “Op het toppunt van hun eenzaamheid zijn twee individuele zielen twee evenwijdige lijnen die elkaar snijden in het oneindige.”

Tirade 342. Van Oorschot, 93 blz.ƒ17,50

Wedstrijdje biografie

De eerste veertig nummers van Granta zijn al literatuurgeschiedenis. Het eenenveertigste, over biografieën, komt uit met een bijlage voor de abonnees: oprichter Bill Buford heeft samen met de New York Review of Books en de zestigdelige reeks The Library of America een "Granta Bookclub' opgezet. De eigen uitgeverij Granta Books bestaat al drie jaar, en de Bookclub lijkt bedoeld om de Granta boeken een betere verspreiding te geven. Het omzeilen van de boekhandel maakte het drukken van een niet zo kleine catalogus mogelijk en een korting van tien tot twintig procent (exclusief portokosten).

Omdat het hier maar om een uitgever gaat, met een aangenomen dochter uit Amerika (de Library of America Collection) is er niet zoiets als een "negative option' of "kroonboek' voor te late beslissers. Zo kunnen, even afgezien van forse verzend- en bankkosten, bij dit tijdschrift zestig delen Amerikaanse klassieken besteld worden (¢8800), de eerste veertig Granta's (¢8130), of een door Salman Rushdie gesigneerde paperback van The Satanic Verses (¢87).

Leuker zijn de wervende teksten van Bill Buford, waaruit ook blijkt dat Granta met zijn oplage van honderdduizend exemplaren toch nog een eenmansonderneminkje is. En, het hoeft eigenlijk niet meer gezegd, uiterst succesvol. Granta 10, het eerste nummer met "Travel Writing', is nu aan zijn twaalfde druk. En de namen in de veertig eerste nummers...bedelen schrijvers zo onderhand niet om in Granta te mógen staan?

Nummer 41 bevat biografieën van onder anderen Saul Bellow (door James Atlas), Philip Larkin (Andrew Motion), Angela Carter (Lorna Sage), James Boswell (Richard Holmes én Ian Hamilton), en het zusje van Todd McEwen. Biograaf Atlas ontdekte een oud (1954) ongepubliceerd manuscript van Saul Bellow over zijn Russische ouders, die in 1912 naar Canada emigreerden en op allerlei manieren moeizaam probeerden aan de kost te komen. Een nieuw verhaal van Gabriel Garca Márquez, over een Colombiaanse schone die in Europa dromen vertelt, houdt de aandacht wat steviger vast.

Blake Morrison (Independent on Sunday), over zijn vader, en Todd McEwen, (ex-Granta) over zijn domme kleine zusje (dat de pinguïns in de dierentuin van New York zo liet schrikken dat ze spontaan allemaal tegelijk begonnen te braken) zijn onmiskenbaar tederder over hun familieleden dan de andere biografen over hun uitgekozen objekten. Alle vrouwen met problemen verdienen een broer die van ver zo mooi over hen schrijft.

Louise Erdrich schrijft over Indianenvrouwen, haar voormoeders, met hun veelzeggende namen. “The old ladies gossiped about Playing Around, but no one dared to say anything to her face. Ice was good at gambling. She Tramp could make great distance in a day of walking. Cross Lightning had a powerful smile. Log was strong, Cloud Touching Bottom weak and consumptive. (-) I am the first who scratches the ground for pleasure, not survival, and grows flowers instead of potatoes. I record rather than practice the arts that filled the hands and days of my mother and her mother, and all the mothers going back into the shadows, when women wore names that told us who they were.”

De foto's in Granta zijn gruwelijk-realistisch als altijd. Ditmaal werden opnamen gekozen uit een Amerikaans politie-archief dat sinds ongeveer 1915 schoonmaakbeurten en opruimwoedes overleefde. Luc Sante zocht kranteberichten bij acht politiefoto's van slachtoffers van misdrijven, onprettige verhaaltjes en foto's die natuurlijk toch verschrikkelijk intrigeren. Alweer wordt bevestigd dat willekeurige moorddadige buien bepaald niet alleen van onze tijd zijn: “Een man werd gedood omdat hij een sigaret afsloeg; een jongen vermoord in een ruzie om een honkbalwedstrijdje. Een politieagent werd door een menigte doodgeslagen. Mensen werden gedood door: scheermessen, revolvers en bijlen; een hap uit de wang, een in de hersenpan gedreven vulpen, bijtend zuur, in de mond gegoten door een maniak.”

Andrew Motions biografie van de dichter Philip Larkin en zijn geliefde komt hierna, romantisch, als een opluchting. Zijn boek zal bij Faber & Faber verschijnen in april. Nog aanlokkelijker misschien is Richard Holmes' pr-achtige "Among the Tulips', over Boswell. “When young James Boswell arrived in Holland in August 1763 at the age of twenty-two, his first impulse was to commit suicide. When he departed ten months later something much more alarming had occurred: he had fallen in love - or half in love - with a Dutch girl more intelligent than he.” Boswells "tulips': Madame la Comtesse de Nassau Beverweerd, de languissante weduwe Madame Geelvinck, en natuurlijk vederbalspeelster Mademoiselle de Zuylen. Boswell: “She is a charming creature. But she is a savante and a bel esprit, and has published some things. She is much my superior. One does not like that.” Holmes wint met zijn aanpak de heimelijk gespeelde biografie-wedstrijd in Granta.

Biografen in spé kunnen uit Granta volop ideeën halen over mogelijke benaderingen. Gewonere lezers kunnen anderszins hun hart ophalen.

Granta 41, Biography. Penguin Books, 256 blz., ƒ30,05