De Notekraker na 100 jaar meer dan kerstballet

AMSTERDAM, 10 NOV. Gedurende de maanden november, december en januari is in de internationale balletwereld het romantisch-klassieke werk De Notekraker hèt seizoensartikel. Precies honderd jaar geleden creëerden Marius Petipa, Lev Ivanov en Peter Tsjaikovski de op E.T.A. Hoffmanns vertelling "De Notekraker en de Muizenkoning' gebaseerde sprookjesballet, dat sinds de opleving van het romantisch-klassieke negentiende-eeuwse repertoire in de jaren dertig en veertig in Engeland en Amerika overal ter wereld een publiekstrekker is geworden.

Het verhaal gaat over het meisje Marie (bij Hoffmann) of Clara (bij Petipa), dat tijdens het familiefest op Kerstavond van de raadselachtige oom Drosselmeyer een notekrakerpop cadeau krijgt. In haar droom verandert die in een schone prins waarmee zij door het Land van sneeuw en snoepgoed reist. Behalve de meeslepende, melodieuze muziek van Tsjaikovski en de theatrale effecten van groeiende kerstbomen, verdwijnende meubelstukken en in rook opgaande of opdoemende personen, heeft het ballet vooral voor een jeugdig publiek een speciale aantrekkingskracht omdat een jong meisje de hoofdrol heeft en er vaak zeer jonge kinderen in meedansen. Menig solist is zijn toneelcarrière begonnen als een van die feestvierende kinderen en voor menig gezelschap is een serie Notekraker-voorstellingen een must om de krappe beurs te spekken.

Wie de komende maand naar Engeland, Duitsland of Amerika reist, zal vele Notekrakers tegenkomen, maar ook in Nederland is (dit seizoen voor het laatst) bij het Scapino Ballet Rotterdam Armando' Navarro's zeventien jaar geleden gemaakte versie te zien en ongetwijfeld zullen daarvoor de zalen weer uitverkocht zijn.

De laatste jaren is er in de danswereld een zelfde stroming gaande als bij het toneel: beproefde klassieke stukken in een eigentijds jasje steken en er, door andere, niet direct voor de hand liggende lagen in het verhaal aan te boren, een nieuw licht op te werpen. Mats Eks eigenzinnige versies van Giselle en Het Zwanenmeer zijn daarvan de meest geslaagde voorbeelden, evenals Maguy Marins Cinderella. Twee jaar geleden was in Brussel Mark Morris' extravagante, en wat mij betreft volslagen mislukte bewerking van De Notekraker te zien geweest en nu heeft in Zürich de nog jonge choreograaf en sinds vorig seizoen artistiek leider van het ballet verbonden aan de opera, Bernd Roger Bienert, een nieuwe produktie op het toneel gebracht die nergens meer doet denken aan het oorspronkelijke genoegelijke kerstpartijtje, gevolgd door zoet-romantische dromen.

Hoffmanns sprookje biedt ook alle mogelijkheden tot een andere benadering. Bij Bienert is Drosselmeyer niet de aardige, een beetje griezelige oom ook die wonderbaarlijke dingen laat gebeuren, het is een sinistere figuur (sterk geïnterpreteerd door Pascal Sani), die fantasie en werkelijkheid vermengt. Zich bewust van zijn tanende macht en kracht is hij gefascineerd door en belust op de kinderlijke onbevangenheid van Clara. Hij manipuleert haar, roept onbekende gevoelens in haar op en ontsluit de poort naar volwassenheid.

Bienert heeft de rol van het jonge meisje tot een dubbelrol gemaakt. Terissa Aguirre is het naïeve, kwajongensachtige kind. De Nederlandse, van het Scapino Ballet afkomstige, Maren Timm vertolkt op magistrale wijze de vrouw die in het kind sluimert, fel, gretig, nieuwsgierig, emotioneel, uitdagend. De door Drosselmeyer geschonken levensgrote pop is geen notekraker maar een glinsterende robot die niet verandert in een sprookjesprins maar in een blitse bink. De reis door het Land van sneeuw en snoepgoed is veranderd in een confrontatie met de verschillende culturele uitingen van de volwassen wereld.

Ook de decors en kostuums in deze produktie wijken ver af van het traditionele negentiende-eeuwse beeld van nostalgische gezelligheid. Architect Mario Botta, die met deze Notekraker zijn debuut als theaterontwerper maakt, schiep een strak, geheel uit blank hout bestaand toneelbeeld met twee grote, licht uitstralende kubussen met één scherpgetande rand die hangend of staand in verschillende opstellingen de achtergrond vormen, aangevuld met een enorme houten bal en enkele gestileerde meubelstukken.

De uitwerking van het ballet is niet in alle opzichten even geslaagd. Bernd Bienert gebruikt zeer complex, vaak interessant bewegingsmateriaal, een mengeling van puur klassieke en rijk gevarieerde eigentijdse vormen en technieken. Het tempo is hoog met onverwachte, abrupte richtingswisselingen, zowel in de ruimte als in het lichaam. Het is een stijl waarmee de meeste dansers van de groep nog grote moeite hebben, waardoor de helderheid in het gedrang komt, vooral in timing en afwerking.

Bovendien verliest Bienert vaak zijn greep op de enorme hoeveelheid ideeën en krijgt de karakterisering van zijn personages slechts bij vlagen een scherp reliëf, terwijl de dynamiek van de bewegingen vrij eenzijdig gekleurd blijft.

Er zitten evenwel uitstekende fragmenten in dit werk, zoals de dansen voor de volwassenen in de eerste acte met de ribbelige pasjes van de in nauwe kokerrokjes gestoken vrouwen die als constant glimlachende barbiepoppen geleid worden door hun kaalhoofdige, stoerdoende mannen. Of de pittige, humoristische Spaanse, Arabische, Chinese en Russische dansen uit de derde acte, de virtuoze soli van Ethan Stiefel als de Notekraker, de geladen, expressieve onderdelen voor Maren Timm en het ontroerende moment waarop zij haar getransformeerde robot-notekraker hoog in haar armen optilt.

Bienert is een choreograaf om in de gaten te houden. Zijn niet echt kerstgebonden Notekraker is in het Operahuis in Zürich nog te zien 10, 13 en 15 november; 12, 13, 17 en 18 december en in februari en maart.