De moeizame privatisering van Polen

De privatisering van kleine bedrijven in Polen is vergevorderd, maar grote Poolse ondernemingen blijken moeilijker te verzelfstandigen. De bevolking mort, de vakbonden protesteren en de politiek neemt de tijd.

Polen verruilt zijn door de staat gedomineerde economie voor het particuliere initiatief. In de buurt van Katowice mogen de steenkoolmijnen stuk voor stuk nog staatseigendom zijn, overal langs de weg staan borden waarop particulieren goedkope steenkool te koop aanbieden.

In Warschau is de overschakeling naar de markteconomie opvallender. Steeds meer fleurige lichtreclames en affiches prijzen er de verworvenheden van de Westerse consumptiemaatschappij aan. Ze verdringen de verbleekte wandschilderingen waarmee Poolse banken, reisorganisaties en dollarshops zich tot de klandizie richten.

Stalletjes en kiosken voor de verkoop van frisdrank, snacks, sigaretten, kranten en kleding schieten de grond uit. Hier werkt Polens nieuwe generatie ondernemers koortsachtig aan haar toekomst. De oude, verkommerde staatswinkels zijn al voor 95 procent in particuliere handen overgegaan. Kopers waren veelal de mensen die al in die winkels werkzaam waren. De "kleine privatisering' is in Polen vrijwel voltooid.

Anders is het gesteld met de grote privatisering, de verkoop van de grote staatsondernemingen. Die verloopt traag en moeizaam. In totaal is tot dusver ongeveer 22 procent van de ruim 8000 grotere staatsondernemingen geprivatiseerd.

De Poolse Rekenkamer uitte onlangs kritiek op wat tot dusver tot stand is gekomen. Te weinig staatsbedrijven zouden zijn geprivatiseerd, en wat verkocht is, heeft te weinig opgebracht.

Functionarissen van het ministerie voor privatisering noemen die kritiek wat al te gemakkelijk. Volgens hen heeft de Rekenkamer weinig rekening gehouden met de beginselen van de vrije markt, waar de koopsom geen vast gegeven is maar de uitkomst van het spel van vraag een aanbod. Als je iets wilt verkopen dat niet bijster gewild is, dan zul je de prijs moeten verlagen.

Voor de privatisering van de Poolse staatsbedrijven zijn verschillende methodes ontwikkeld. De meest spectaculaire is de openbare aanbieding op de kapitaalmarkt. Als een bedrijf op die manier wordt aangeboden, kan iedereen - Pool of buitenlander - een bod doen. De enige beperkende voorwaarde is, conform de Poolse privatiseringswetgeving, dat de werknemers van het betrokken bedrijf gerechtigd zijn tot 20 procent van de aandelen te kopen tegen de halve prijs. Zo zijn inmiddels 286 bedrijven in andere handen overgegaan, vertelt Jolanta Szaban van het ministerie van privatisering.

Grote problemen doen zich echter voor bij enkele mammoetbedrijven met vele duizenden werknemers. Niemand kàn of wil die kopen. Veelal gaat het om ondernemingen die, willen ze winstgevend geëxploiteerd kunnen worden, grootscheepse investeringen en pijnlijke reorganisaties vergen.

Een andere, veel gebruikte gebruikte methode om staatsbedrijven in particulier bezit te brengen is niettemin zeker zo rigoureus: liquidatie. Dit bleek in 1249 gevallen een oplossing. De onderneming wordt ontbonden; machines, bedrijfsgebouwen en inventaris worden geveild. Ook wordt geregeld gebruik gemaakt van leasing. De staat blijft dan eigenaar van de activa en stelt ze tegen een vergoeding ter beschikking aan ondernemers.

De vorming van joint ventures bleek in een aantal gevallen eveneens een geschikte manier om particuliere investeerders in Poolse bedrijven te interesseren. Zo nam Philips een aandeel van 66 procent in het bedrijf Polam Pila (tegenwoordig Philips Lighting) voor de fabricage van lampen en elektrische uitrusting, dat voor de rest in handen van de staat bleef. Unilever verwierf het wettelijk toegestane maximum van 80 procent in een van de Pollena-fabrieken (zeep, cosmetica), terwijl het Duitse Henkel 75 procent kocht van een andere Pollena-vestiging. De grote meerderheid van dit soort gezamenlijke ondernemingen wordt opgezet met Duits, Amerikaans, Zweeds, Oostenrijks en Nederlands kapitaal.

In een enkel geval is het zelfs mogelijk gebleken dat een buitenlandse onderneming meer dan de wettelijk vastgestelde 80 procent van de aandelen in een Pools bedrijf verwerft. Fiat rondde afgelopen maand een transactie met de Poolse overheid af, waardoor het Italiaanse automobielconcern voor twee miljard dollar een belang van 90 procent kreeg in autofabrikant FSM. Fiat werkt overigens al sinds jaren samen met dit bedrijf.

Pag 18: Polen heeft ook nieuwe produktiestructuur nodig; "De politici moeten de mensen ervan overtuigen dat privatisering nodig is'

Een van de problemen die Polen ontmoet bij de pogingen buitenlandse investeerders te interesseren voor zijn bedrijven, is de onduidelijkheid over het bestaan van oude claims. Tal van particulieren en bedrijven raakten hun bezittingen in Polen na de Tweede Wereldoorlog kwijt, maar ze kunnen nog steeds eigendomsrechten laten gelden. Volgens het ministerie van privatisering is wetgeving nodig om potentiële investeerders af te schermen van het risico dat ze geld steken in een bedrijf dat alsnog door een derde kan worden opgeëist. Inmiddels zijn al zeven wetsvoorstellen ontworpen om het vraagstuk van de "reprivatisering' op te lossen, maar ingediend is er niet één. Daarvoor ligt de materie te gevoelig.

Zo'n zeshonderd Poolse ondernemingen zijn geselecteerd om een nieuw soort volkskapitalisme te creëren. Hun aandelen zouden worden ondergebracht in een twintigtal fondsen - te beheren door binnen- en buitenlandse beleggingsspecialisten - waarin de hele Poolse bevolking kan participeren. Iedere Pool zou dan voor zo'n dertig gulden (een tiende van een gemiddeld maandsalaris) een aandeel in die fondsen mogen kopen. Dit plan staat voorlopig echter op een laag pitje. De verwerkelijking ervan smoorde in discussies over de uitvoering. Zo vinden sommige politieke partijen dat alleen volwassenen zouden mogen participeren, terwijl andere vinden dat elke Pool, ongeacht leeftijd, moet kunnen meedelen in het staatsbezit.

Jolanta Szaban van het ministerie van privatisering kan zich mateloos ergeren aan de obstructies die de politiek opwerpt bij de uitvoering van de privateringsplannen. Dat de oppositie - ex-communisten, boerenpartijen, de partij voor een onafhankelijk Polen - vaak tegen is, is tot daaraan toe. Maar ook de regeringscoalitie is een vat vol tegenstrijdigheden. Ze zucht: “Het is moeilijk om in Polen iets van de grond te krijgen.”

Piotr Nowina-Konopka, in de jaren '80 woordvoerder van Lech Walesa in Gdansk en nu secretaris-generaal van de Democratische Unie, de grootste coalitiepartij, neemt het evenwel op voor de politici. Zij moeten immers bemiddelen tussen de technocraten in de ministeries en de Poolse burgers. Polen, zo legt Konopka uit, is op weg naar een markteconomie. Dat is een lastig en traag proces. Je kan snel privatiseren, met het risico van grote werkloosheid. Aan de andere kant kunnen verlieslijdende bedrijven niet tot in lengte van dagen op de staatskas blijven teren. Daartussen dient de politiek te manoeuvreren.

De privatisering, verklaart Konopka, is niet alleen een kwestie van nieuwe, particuliere eigenaars zoeken. Ook de produktiestructuur moet aan de nieuwe tijd worden aangepast, willen de voormalige staatsbedrijven overleven. Veel ervan waren in de vroegere planeconomie alleen bezig om voor elkaar te produceren. “Het was in feite een slang die z'n eigen staart opat”, zegt Konopka. Dat was overzichtelijk en niemand hoefde zich druk te maken over zoiets als een markt. Maar nu moeten de ondernemingen zelfstandig de boer op, en dat vraagt tijd. Tijd om een klantenkring op te bouwen, tijd om het niveau van de produktie te verbeteren, tijd om een concurrerende kostenstructuur te realiseren.

Ondanks het feit dat de privatisering langzaam verloopt, is nu al meer dan 35 procent van het bruto nationaal produkt (85 miljard dollar in 1991) afkomstig uit de particuliere sector. Bijna de helft van de werkende bevolking verdient er zijn salaris.

Konopka wijst erop dat onder de bevolking, en niet alleen bij de arbeiders, psychologische barrières bestaan tegen de privatisering: veel mensen zien het als een uitverkoop van staatseigendom en protesteren daartegen. “De politici moeten de mensen ervan overtuigen dat privatisering goed en noodzakelijk is. We hebben hier nooit open werkloosheid gehad - nu zijn er streken waar 20 procent van de bevolking zonder werk zit. In Gdansk, waar Solidariteit is ontstaan, hebben de mensen het gevoel dat ze met werkloosheid moeten boeten voor het feit dat ze het communisme hebben overwonnen. Het sociale klimaat voor privatisering is dus niet erg gunstig.”

Tegen die achtergrond is het begrijpelijk dat overheid en politiek uiterst omzichtig handelen bij de privatisering van staatsbedrijven. Hierbij wreekt het zich dat de staat niet alleen eigenaar van die bedrijven is en dus werkgever, maar ook hoeder van de bevolking. Initiatieven die in principe goed zijn voor het land en de staatskas - zoals privatisering - zijn niet altijd goed voor werknemers, en omgekeerd. In het Westen liggen die verhoudingen anders: daar kunnen werkgevers en werknemers met elkaar bakkeleien, terwijl de staat op afstand de supervisie houdt en eventueel kan bemiddelen. In Polen is de overheid, wat er ook gebeurt, de boeman.

Bij de vakbonden is men zich bewust van de moeilijke positie van de overheid en onderkent men dat de keuze voor een markteconomie zich niet altijd verdraagt met de zekerheid van een vaste baan. De vakbond Solidariteit, stuwende kracht achter de hervomingen in Polen, lijdt nu ledenverlies omdat zijn leiders politieke verantwoordelijkheid zijn gaan dragen en beslissingen nemen die mensen werkloos maken. Konopka: “De vraag is of de werknemers zich in deze situatie van privatisering nog wel door hen willen laten vertegenwoordigen.” De vakbond OPZZ - opgezet door de oude communisten, die ten minste voor werk zorgden - heeft dubbel zoveel aanhang gekregen.

Als gevolg van die ontwikkelingen tekent zich nu binnen Solidariteit een schisma af. Enerzijds is een vleugel zichtbaar die zich sterk maakt voor werknemersbelangen, en behoud van werkgelegenheid voorop stelt. Aan de andere kant staat dan de meer gepolitiseerde vleugel, die bereid is compromissen met de overheid te sluiten.

Hoe de machtsverhoudingen binnen de bonden, tussen de bonden onderling, en tussen bonden en staat zich ook mogen ontwikkelen, volgens Konopka valt aan massa-ontslagen op termijn niet te ontkomen. Als de grote privatisering op gang is gekomen, zullen de gure normen van de markteconomie gelden. En dat betekent gewoon dat er geen plaats is voor bedrijven zonder markt. Zo zullen veel fabrieken die werkten voor de wapenindustrie van de vroegere Sovjet-Unie hun poorten moeten sluiten bij gebrek aan afnemers en aan overname-kandidaten. En hetzelfde geldt, aldus Konopka, voor de onrendabele Poolse kolenindustrie: “In de mijngebieden in Polen zou hetzelfde moeten gebeuren als indertijd in het Saarland: de hele zaak sluiten. Het probleem is alleen dat tachtig procent van de bevolking daar afhankelijk is van die mijnen.”

Hoe somber dat perspectief ook is, volgens Konopka heeft Polen de moeilijkste periode in zijn economische hervorming achter de rug. De hyperinflatie van veertig procent per maand is teruggebracht tot slechts een tiende daarvan, en dat is een teken dat het land zijn economie weer in de hand krijgt. Een logisch, maar lastig neveneffect van inflatiebestrijding door een krap-geldbeleid is echter dat het moeilijk is aan geld te komen voor investeringen. En zonder investeringen stagneren economische groei en werkgelegenheid. Konopka wijst erop dat internationale organen, zoals het IMF en de Wereldbank, zeer positief zijn over het financieel-economische beleid. “Nu moet alleen de Poolse bevolking er nog van worden overtuigd dat dit de goede weg is.”