Bernhard, gewaardeerd lobbyist zonder staatkundig gevoel

Prins Bernhard miste ten enenmale het feilloze gevoel voor goede staatkundige verhoudingen dat zijn schoonzoon Claus kenmerkt, en de bescheidenheid die nodig is om als prins-gemaal weliswaar heel nuttig werk te doen maar de regering niet in problemen te brengen. Nooit haalden minister-presidenten de teugels werkelijk aan, zo blijkt uit het vandaag verschenen boek van H.A. van Wijnen De Prins-Gemaal, vogelvrij en gekooid.

Een schriftelijke reprimande kreeg Bernhard al evenmin, want “dat deed men niet”, aldus een oud-minister. Maar ook werd er zelden iets schriftelijk vastgelegd van de kritiek die individuele ministers aan zijn adres uitten als Bernhard hun adviezen niet opvolgde. Wel werd hem toegestaan commissariaten bij grote ondernemingen te bekleden, die hij herhaaldelijk gebruikte als invloedrijk wegbereider voor KLM-landingsrechten en grote exportcontracten. Niet alleen trad Bernhard op als voorzitter van de prestigieuze Bilderberg-Groep, waarbij ministers zich graag lieten uitnodigen, ook kwam op Soestdijk regelmatig een club ondernemers onder zijn leiding samen die de Nederlandse exportstrategie voorbereidde. Bernhard kon praktisch vrijelijk zijn in Den Haag "zeer gewaardeerde lobby-activiteiten' ontplooien.

Tal van landen bereisde hij, en passant Fokkers verkopend. In Argentinië wist hij een grote order voor Werkspoor in de wacht te slepen, maar de regering had hem niet verteld dat zij de directie toestemming had gegeven 30 miljoen smeergeld aan de familie Péron uit te betalen.

Vlak voor de Lockheed-zaak hem ten val bracht betuigde de toenmalige minister van economische zaken, drs. Ruud Lubbers, hem nog schriftelijk dank voor een bijzondere goodwill-missie naar Iran waarbij Bernhard in gesprekken met de Sjah een basis legde voor herstel van de handelsbetrekkingen met dat land. Lubbers wist zich daarvan in een gesprek met Van Wijnen de afgelopen zomer niets te herinneren. Maar archiefonderzoek op Economische Zaken bracht de hele correspondentie aan het licht, inclusief een eerste brief van Lubbers waarin deze de prins verlokte om in zijn contact met de Sjah concrete aanwijzingen te verkrijgen over kansrijke projecten voor de Nederlandse industrie. Daarvóór had de prins ook al voor Lubbers bij de Saoedische koning Feisal bemiddeld.

De Commissie van Drie die het fatale oordeel over Bernhard velde, wist van dit alles niets; de prins had het niet tot zijn verdediging aangevoerd. Bernhard kon wel begrip opbrengen voor het vonnis en de strafmaatregelen van het kabinet-Den Uyl, maar voelde zich toch miskend: zijn diensten hadden rechtvaardigheidshalve op de verlies- en winstrekening behoren te worden bijgeschreven.

Kernpunt in het oordeel van Den Uyl c.s. was dat Bernhard onvoldoende afstand tot het bedrijfsleven had bewaard, maar hij was daarin juist door menig bewindsman aangemoedigd. Lubbers zei bijvoorbeeld tegen Van Wijnen te weten dat de prins “voor gerichte bedrijfsbelangen optrad”, maar kwam blijkbaar nooit op het idee om na te gaan of Bernhard hierbij niet in constitutioneel gevaarlijk vaarwater terecht was gekomen.

Van Wijnen kreeg ook toestemming voor gesprekken met de huidige prins-gemaal Claus, aan wie hij een “vlekkeloos” en “vormvast constitutioneel besef” toeschrijft, dat de verklaring is van zijn onbesproken gedrag en zijn verkeerde imago. De ware Claus heeft een heel ander voorkomen dan blijkt uit zijn publieke optreden voor zover dat door de televisie wordt geregistreerd. Televisiecamera's beroven de prins van zijn ongedwongenheid en conditioneren hem tot onnatuurlijk gedrag, maar in werkelijkheid is Claus een intelligente, goed geïnformeerde causeur, een belangstellende gesprekspartner en debater die krachtige stellingen betrekt. Amerikaanse studenten die in de zomer van 1991 op Huis ten Bosch logeerden, maakten tot hun verbazing kennis met een politiek verontwaardigde Claus die ernstige bezwaren had tegen het geallieerde militaire geweld in Irak en de nationalistische hulde na afloop van de oorlog in Washington aan generaal Schwarzkopf betoond, “walgelijk” noemde.

Interessante niet eerder gepubliceerde gegevens heeft Van Wijnen bij zijn speurtocht door het archief van prins Bernhard opgediept over de Nieuw Guinea-affaire. Minister Luns wist de kabinetten-Drees en -De Quay destijds langdurig op de lijn te houden van een voorlopig behoud van dit rijksdeel en opvoeding van de Papoea-bevolking tot zelfbeschikkingsrecht. Desnoods moest het conflict hierover met Indonesië gewapenderhand worden opgelost.

Prins Bernhard daarentegen had in gesprekken met president Kennedy het plan van de Amerikaanse onderminister Bunker gesteund, dat uitging van een volksstemming onder de Papoea's na overdracht aan Indonesië. Na ondertekening van het akkoord in de Verenigde Naties over Nieuw-Guinea, waarbij de Amerikanen aan het langste eind trokken, stuurde Kennedy een brief aan koningin Juliana om de regering met de goede afloop te feliciteren. De president prees daarin prins Bernhard “wiens doordachte oordelen over deze moeilijke kwestie mij op een belangrijk moment tot steun zijn geweest”, maar noemde Luns, die ook meermalen op het Witte Huis was verschenen om zijn zaak te bepleiten, met geen woord.

Publikatie van de brief zou Luns, die Bernhard beschouwde als één van de stokers die Nieuw-Guinea op het Wite Huis hadden "verkocht', heel slecht uitkomen, en hij liet in een memorandum vastleggen dat het stuk geheim moest blijven. Mocht de pers er naar vragen, dan moesten woordvoerders van Buitenlandse Zaken en de ambassade in Washington zeggen dat er van een brief niets bekend was.

Scherp oordeelt auteur Van Wijnen over het beleid van de toenmalige minister-president dr. W. Drees en de minister van buitenlandse zaken mr. D.U. Stikker in de "Greet Hofmans-affaire' in de periode 1952-1956. Die vond haar oorsprong in 1948 in het Apeldoornse paleis Het Oude Loo, waar onder bescherming van prinses Wilhelmina regelmatig "de hogere kringen der zoekenden' bijeenkwamen, een particulier religieus gezelschap rondom de figuur Greet Hofmans, door Van Wijnen aangeduid als “commissionair in pacifistische denkbeelden, die met een Hogere Macht in verbinding stond”. Tot verdriet van prins Bernhard kreeg deze vrouw een steeds grotere invloed op koningin Juliana, culminerend in concept-redevoeringen voor een staatsbezoek aan de Verenigde Staten in april 1952, die tot knallende ruzies tussen de echtgenoten op Soestdijk en tussen Juliana en minister Stikker leidden.

Bernhard riep in een brief de bemiddeling van Stikker in om Juliana tot de orde te roepen. Als bepaalde filosofische passages niet zouden worden geschrapt, weigerde hij mee te gaan op het staatsbezoek omdat hij “niet in deze maelstroom van hoogdravende onzin mede betrokken” wenste te worden. Stikker, die het eens was met de prins en in de redevoeringen de hand van Greet Hofmans had ontdekt, delegeerde het overleg met de koningin hierover aan zijn hoogste ambtenaar, secretaris-generaal dr. N.H. Boon. Een “uit constitutioneel oogpunt onverdedigbaar” gedrag, aldus Van Wijnen.

Moeizaam werd een compromis met Juliana gevonden dat Bernhard in staat stelde met haar mee te reizen. Maar Stikker was in Los Angeles getuige van een “vrij scherpe woordenwisseling” tussen de koninkrijke echtelieden, nadat Juliana op een persconferentie kritiek van journalisten kreeg toen ze geen antwoord wist op de vraag wat de mensheid moest ondernemen om de gedachten die zij had geuit te verwezenlijken. Intussen wist Drees uit twee gesprekken met Hofmans wat voor vlees hij met deze hogere middelares in de kuip had. Ze drong aan op een breuk met de militaire wereldmachten en probeerde de premier een andere buitenlandse politiek voor te schrijven. In NAVO-kringen bleef de "pacifistische rel' aan het Nederlandse hof niet onbesproken en ook de CIA legde actieve belangstelling aan de dag. Toch ondernam Drees pas in 1956 harde actie, toen publikaties in de internationale pers over de invloed van de "Raspoetin' aan het Nederlandse hof tot een constitutionele crisis leidden en Bernhard het vertrek van de gezondbidder eiste.

Had Drees direct in 1952 ingegrepen, dan was er helemaal geen kwestie-Hofmans geweest, maar door de spanningen te laten doorzieken vormde zich een gezwel dat fatale gevolgen had kunnen hebben, aldus Van Wijnen. De crisis kan al “fataal genoeg” geweest zijn, meent hij, omdat in 1956 de afkalving is begonnen van het "sacrale karakter' van de monarchie, zij vormt een “historische waterscheiding tussen twee stroomgebieden waarin de monarchie sindsdien democratischer is geworden en de democratie minder monarchaal. Met dat jaar is ook de aftelling begonnen: de inleiding op de secularisatie van het koningschap, een onomkeerbaar proces dat geleidelijk en geruisloos naar het einde neigt. In zoverre heeft dr. Drees ook in dit opzicht een belangrijke bijdrage geleverd aan de democratisering van de Nederlandse politiek, belangrijker dan hij zelf had gewild.”

    • Theo Westerwoudt