Afschaffen dienstplicht vergt ruime overgangstijd

Na het uitkomen van de Defensienota 1991 is in de Koninklijke Landmacht een omvangrijke herstructurering op gang gebracht: de grootste sinds 1945.

De vredesorganisatie van ongeveer vijfenzestigduizend militairen moest worden teruggebracht naar ruim veertigduizend. Een dergelijk proces beheersbaar houden vraagt veel, zowel van de organisatie als van het begrip van het personeel. Daarom legde de landmachtleiding sterke nadruk op drie elementen: maximale inspraak van het personeel, maximale informatie voor het personeel en dat onder de zorg van een slagvaardige projectorganisatie.

Belangrijk bij deze loodzware opdracht was ook de toezegging van de minister dat al het mogelijke zou worden gedaan om gedwongen ontslagen te vermijden.

Inmiddels is de sterkte al teruggelopen naar vierenvijftigduizend militairen. Het overgrote deel (negentig procent) van deze daling werd bereikt door minder dienstplichtigen op te roepen. Dat kon, omdat in korte tijd nogal wat eenheden zijn opgeheven of ingekrompen. Opmerkelijk is dat bij dergelijke krachtige ingrepen in de organisatie van de Koninklijke Landmacht de motivatie van het personeel zo hoog is gebleven.

Drie maanden na het verschijnen van de Defensienota verzocht de Tweede Kamer de minister van defensie zich te beraden over de toekomst van de dienstplicht en om een bijstelling van de Defensienota. Daarachter staken twee gedachten. Ten eerste de verder afgenomen dreiging die een verdergaande verkleining van de krijgsmacht mogelijk zou maken. Ten tweede de indruk dat financiële onderbouwing van de plannen in de Defensienota te wensen overliet.

Waarschijnlijk eind dit jaar zal de minister nu zijn "prioriteitennota' het licht doen zien. Daarin is dan - nadat hij in september het advies van de commissie-Meijer ontving - het standpunt van de minister over de dienstplicht verwerkt.

Over het onderwerp dienstplicht is al veel gepubliceerd, maar niet altijd zijn de consequenties van het afschaffen duidelijk verwoord. Bij afschaffing van de dienstplicht zal de omvang van de Koninklijke Landmacht moeten worden teruggebracht naar ongeveer vijfentwintigduizend militairen. Dit getal is gebaseerd op de meest gunstige prognoses over het aantal jaarlijks te werven vrijwilligers met een kort dienstverband.

Bij deze omvang van de Koninklijke Landmacht zullen op termijn circa drieduizend beroepsmilitairen met ontslag moeten vertrekken. Op het oog lijkt de inkrimping bij het (nu elfduizend personen tellende) burgerpersoneel minder dramatisch. Maar omdat het hier ook om verschuivingen in het soort werk gaat blijft er een "overschot' dreiging bestaan voor sommige categorieën personeel. Het moge duidelijk zijn dat een organisatie die "wervend' moet optreden op de arbeidsmarkt in die situatie niet erg aantrekkelijk overkomt.

Een ander knelpunt is het "veranderingsvermogen' van een organisatie. Binnen de landmacht lopen op dit moment honderd reorganisatieprojecten. Dat is ongeveer het maximum dat de Koninklijke Landmacht kan "verwerken'. Komt hier op korte termijn een nog ingrijpender herstructureringsgolf overheen dan komt het functioneren van de landmacht ernstig in gevaar. De meeste eenheden zullen hun dienstplichtigen verliezen, terwijl het nog jaren zal duren voor dat voldoende vrijwilligers hun plaatsen hebben ingenomen. De motivatie van het beroepspersoneel, geconfronteerd met een dreigende chaos en massaal gedwongen ontslag, zal drastisch verminderen.

Duidelijk is dat bij een eventuele beslissing tot afschaffen van de dienstplicht een ruime overgangsperiode noodzakelijk is om het proces beheersbaar te laten verlopen. Het begrip "tijd' is cruciaal wil de minister de kans krijgen zijn belofte over het vermijden van gedwongen ontslag inhoud te geven.

In die onmisbare overgangsperiode dient ook voldoende geld gereserveerd te blijven, vooral om het sociaal beleidskader voor het overtollige personeel juist te kunnen toepassen. We zien nu echter duistere financiële wolken aankomen: het defensiebudget voor 1993 was al met zestien procent verminderd ten opzichte van 1989. Met de jongste kabinetsbesluiten komen we op een teruggang van twintig procent. En dat terwijl besluiten over de toekomstige omvang van de krijgsmacht nog niet zijn genomen. Ook dit zal het functioneren van de landmacht ernstig onder druk zetten.

Een beslissing over de toekomst van de dienstplicht heeft het kabinet nog niet genomen. Maar het landmachtpersoneel heeft wel uit de krant vernomen dat afschaffing in het voornemen ligt. De drastische ingrepen in het defensiebudget zijn ook niet onopgemerkt gebleven. Geen wonder dat het personeel van de Koninklijke Landmacht zich met toenemende onrust afvraagt welke toekomst nog in het verschiet ligt.

Geen weldenkend mens verzet zich tegen een andere krijgsmacht in een veranderde wereld. Als de politieke leiding kiest voor afschaffing van de dienstplicht dan is dat voor de landmachttop een gegeven. Ook de toekomstige omvang van de krijgsmacht is een politieke beslissing. Daarover kan en mag geen misverstand bestaan. Mijn drijfveer het bovenstaande te verwoorden is zorg, zorg voor een inzetbare landmacht en zorg voor het personeel. Het tempo van verandering kent grenzen. Als de landmacht - zonder chaos - moet omschakelen naar een vrijwilligersleger dan is een ruime overgangsperiode pure noodzaak. En in die periode moeten we zorgvuldig omgaan met de belangen van het (overtollig wordend) personeel. Verandering mag onvermijdelijk zijn, maar de wijze van veranderen mag de mens niet vermorzelen.