Wereldnatuurfonds wil weer natuur in uiterwaarden

ARNHEM, 9 NOV. Een terugkeer van de natuur in de uiterwaarden van rivierland, waarbij de landbouw zich terugtrekt achter de dijken, en herstel van de historische nevengeulen langs Rijn, Waal, Maas en IJssel over een lengte van bijna 400 kilometer. Dat zijn de hoofdbestanddelen van een plan dat het Wereldnatuurfonds (WNF) zaterdag in Arnhem aanbood aan het ministerie van verkeer en waterstaat. Het berust op een serie studies van onder andere het Waterloopkundig Laboratorium.

Volgens het WNF kan dit plan, "Levende Rivieren' getiteld, circa 30.000 hectare extra natuurgebied opleveren. Bovendien zou de omstreden dijkverzwaring minder rigoureus kunnen worden uitgevoerd. Door op grote schaal klei uit de nevengeulen en uiterwaarden te halen en de zomerkades te verwijderen zou namelijk de afvoercapaciteit van de rivieren aanzienlijk worden vergroot. De studies voorzien in een verlaging van de hoogste waterstanden met één tot anderhalve meter.

De hoeveelheid klei die bij volledige uitvoering van het plan vrijkomt, bedraagt volgens een ruwe schatting zestig miljoen kubieke meter. Daarmee zou de behoefte aan dit materiaal bij de produktie van baksteen voor een halve eeuw zijn gedekt. Het WNF propageert baksteen als bouwmateriaal in plaats van beton, omdat de afzetting van klei in het rivierengebied doorgaat, terwijl de ingrediënten voor beton - mergel, grind en zand - in Nederland steeds schaarser worden. Daar komt bij dat de mergelwinning in Zuid-Limburg op grote landschappelijke bezwaren stuit.

"Levende Rivieren' zou ook de agrarische wereld voordelen bieden. “Ons plan”, zegt L. de Jong van het Wereldnatuurfonds, “gaat ervan uit dat boeren relatief slechte gronden in de uiterwaarden uit produktie nemen en inruilen voor betere gronden binnendijks.” Verwezenlijking van het plan zou bovendien weinig of geen extra kosten meebrengen door enerzijds de opbrengsten aan baksteen en anderzijds de bezuinigingen bij het dijkverzwaringsprogramma. “Natuurontwikkeling kost overal geld, maar dit project kan praktisch budgettair-neutraal worden uitgevoerd”, aldus de Jong.

Ook de scheepvaart zou niet onder het plan te lijden krijgen. Volgens berekeningen van het Waterloopkundig Laboratorium neemt de waterstand in de hoofdgeul van de rivier bij lage afvoer juist toe. Dit zou betekenen dat binnenschepen bij laag water meer lading kunnen meenemen.

Met zijn voorstellen geeft het WNF een uitbreiding aan het in 1986 gelanceerde plan-Ooievaar voor rivierenland. Ook dat plan werd gekenmerkt door een scheiding van functies: het binnendijkse land voor akkerbouw en veeteelt en de uiterwaarden voor de natuur. Het WNF ziet de mogelijkheden daartoe toenemen naarmate de Rijn schoner wordt. De Jong: “Vooral het zuurstofgehalte van het Rijnwater is de laatste jaren sterk verbeterd en voor de natuurontwikkeling zoals die ons voor ogen staat, is dat van essentieel belang”.

Langs de uit te graven nevengeulen, die voornamelijk in de uiterwaarden liggen en al vóór 1800 volraakten met klei, moet volgens de plannen het zogenoemde "rivierbegeleidend ooibos' weer tot ontwikkeling komen. Dergelijk bos bestaat uit een mengeling van zwarte populier en witte wilg en was eeuwen geleden kenmerkend voor deze contreien.

De oevers van de nevenstromen, waarvan de bedding soms nog zichtbaar is, waren ooit bezaaid met dood en levend hout. Hieraan hechtten zich allerlei kleine dierlijke organismen of "filteraars', die leefden van algen uit het water en op hun beurt werden gegeten door vissen, watervogels, amfibieën en zoogdieren. “Die filteraars”, aldus De Jong, “zijn helaas verdwenen, maar kunnen terugkeren bij herstel van de nevengeulen, waardoor het hele ecosysteem weer tot bloei komt.”

Het rapport van WNF schetst uitvoerig hoe het allemaal zou kunnen worden: “Zo onstaat het beeld van stromende nevengeulen met struikgewas op de oever, plaatselijk een in het water gevallen boom, waarop miljoenen filterdiertjes algen vangen. Jonge vissen stropen de takken af en vormen weer voedsel voor nachtreigers, die zich overdag schuilhouden in het struweel. Overdag worden de vissen belaagd door sterntjes, aalscholvers en grote visetende roofvogels als zwarte wouw en zeearend. In de afkalvende oevers vinden we oeverzwaluwen en ijsvogels en in de kleibanken onder water graven grote eendagsvliegen hun holen uit”.

“Op sommige punten”, voegt De Jong eraan toe, “is het herstel inmiddels al ingetreden. De Rijn wordt weer bevolkt door grote hoeveelheden vis en als voorlopig hoogtepunt geldt de terugkeer, in augustus 1991, van het verschijnsel zomersneeuw: het massaal uitzwermen van de witte eendagsvlinder, die sinds 1935 niet meer op de Rijn was waargenomen.”