Vooruitzichten Amerikaanse economie

Na met grote stelligheid de uitslag van de verkiezingen in Engeland verkeerd te hebben voorspeld, leek het me gepast om te zwijgen over de presidentsverkiezing in de Verenigde Staten. Maar in 1996 is er alweer een verkiezing, en daarom is hier alvast een formule om de uitslag te voorspellen voor dat jaar en alle volgende presidentsverkiezingen in Amerika. Maak een schatting van het percentage waarmee de Amerikaanse kiezers in het verkiezingsjaar hun eigen inkomen omhoog zien gaan. Preciezer: neem de groeivoet in het verkiezingsjaar van het vrij besteedbare reële inkomen per hoofd van de bevolking (dezelfde maatstaf die ons Centraal Planbureau ook moet uitrekenen voor de zogenoemde koopkrachtplaatjes). Is uw cijfer drie of hoger, dan zal de zittende partij het presidentschap behouden; bij een cijfer lager dan drie wisselt het Witte Huis van Democratisch naar Republikeins of andersom.

Bij de verkiezingen van vorige week werd president Bush afgerekend op een groeivoet in het vrij besteedbare reële inkomen van minder dan één procent. Dat is een schatting, want het jaar is nog niet om, maar er is geen schijn van kans dat het percentage dit jaar nog in de buurt van de scheidslijn van drie procent komt.

Zo'n lage stijging in het vrij besteedbare reële inkomen was er ook in 1952, precies het jaar dat de regerende partij na twintig jaren onafgebroken machtsuitoefening, het Witte Huis moest opgeven. Nog slechtere cijfers voor de inkomensgroei waren er in de verkiezingsjaren 1960 en 1980. In 1960 stagneerde de Amerikaanse economie en wist Kennedy het Witte Huis over te nemen van de Republikeinen. In 1980 verkeerde Amerika in recessie, zodat de inkomens na correctie voor inflatie zelfs daalden, en inderdaad had president Carter geen schijn van kans tegen uitdager Reagan.

Sommige voorgangers van president Bush slaagden er wel in om te worden herkozen: Johnson in 1964, Nixon in 1972, Eisenhower in 1956, Truman in 1948 en natuurlijk Reagan in 1984. Als u de cijfers natrekt, blijken dat zonder uitzondering jaren te zijn waarin de vrij besteedbare inkomens met drie procent of meer omhoog gingen. Nog niet genoemd zijn 1968 en 1976: twee jaren waarin de groei in het vrij besteedbare inkomen juist onder de streep bleef en waarin de oppositie er met enige moeite in slaagde het Witte Huis te veroveren.

Neem maar aan dat ook de staf van president Bush bekend was met deze vuistregel die in alle naoorlogse verkiezingen foutloos aangaf wat de verkiezingsuitslag zou worden. Was Bush dan niet handig genoeg om - zoals bijvoorbeeld zijn Republikeinse voorgangers Nixon en Reagan - de magere jaren in de eerste helft van de ambtsperiode te verwerken, om dan in een vet verkiezingsjaar te kunnen afrekenen met de Democratische tegenstander? Dat het president Bush niet is gelukt om de conjunctuur in voldoende mate naar zijn hand te zetten, heeft verschillende oorzaken, die bij elkaar verklaren waarom 1992 zo'n matig jaar moest worden voor de Amerikaanse economie.

Sinds het einde van de Golfoorlog dalen de Amerikaanse bestedingen voor defensie in een hoog tempo van acht procent per jaar. Op den duur is het omsmeden van zwaarden tot ploegscharen natuurlijk alleen maar gunstig voor de economie, maar zover zijn we nu nog niet. Tegelijkertijd zijn in veel delen van de VS de huizenprijzen gedaald en is er praktisch overal (uitzondering: het midden-westen) een slump in kantoren, hotels en winkelcentra. Hoofdzakelijk wegens gunstige belastingfaciliteiten voor projectontwikkelaars, zijn er tot 1987 veel te veel kantoren gebouwd en dat betekende extra economische groei wegens de bouwactiviteiten tijdens president Reagan, maar onvermijdelijk minder produktie tijdens Bush. Leegstandcijfers van meer dan twintig procent in een aantal grote centra betekenen een zware neerwaartse druk op de huren van die kantoren die überhaupt nog huurders hebben. De bankiers die al deze leegstand hebben gefinancierd zien in hun agenda's dan ook meer afspraken met accountants, advocaten en toezichthouders, dan met hoopvolle projectontwikkelaars. Niet alleen staan veel kantoren leeg, ook zijn de Amerikanen minder uren per week gaan besteden aan trips naar het winkelcentrum. "Shopping' is niet meer dè favoriete vrijetijdsbesteding. Dus worden er ook nauwelijks nieuwe winkelcentra ontwikkeld. Tenslotte hebben dalende huizenprijzen in de particuliere woningmarkt tot gevolg dat veel huizenbezitters voorzichtig moeten zijn met hun overige bestedingen. In totaal betekent de deplorabele toestand in het onroerend goed een vermindering van de economische groei met toch wel een half tot één procent per jaar.

Bovendien helpt de internationale conjunctuur niet echt mee, want de dollar heeft dit jaar wel heel laag gestaan, zodat de Amerikaanse bedrijven makkelijk op prijs kunnen concurreren met Europa en Japan, maar Amerika's voornaamste handelspartner, Canada, komt nog maar net uit een eigen recessie, en ook andere afzetmarkten, (Engeland, Australië, Scandinavië) staan er - zoals wij ook in Nederland al te goed merken - niet goed voor.

Deze drie factoren - zware bezuinigingen op defensie, depressie in het onroerend goed, en zwakke groei in buitenlandse afzetmarkten - drukken naar schatting van de economen in het Shadow Open Market Committee (een groep van Amerikaanse academische commentatoren van het monetaire beleid) de economische groei dit jaar met zo'n twee of tweeënhalf procent punten. In plaats van vier of meer procent economische groei - vaak vertoond in het eerste jaar na een recessie - blijft de economische groei dit jaar hangen op een miserabele twee procent, met als gevolg dat ook de vrij besteedbare inkomens nauwelijks stijgen en nu de verhuizers aan het werk kunnen in het Witte Huis. Volgend jaar zal het allemaal wel een stuk beter gaan. Misschien drieënhalf procent economische groei, bij drie procent inflatie en een daling in het financieringstekort van driehonderd miljard dollar naar 250-260 miljard. Dat is dan geen verdienste van president Clinton, maar een simpele consequentie van het einde van de dalende huizenmarkt, weer aantrekkende groei in Canada en geleidelijke aanpassing van de economie aan een lager peil van de defensieuitgaven.

Of het economisch beleid van president Clinton mee- of tegenvalt zal pas later blijken. Succes van een centrum-linkse regering hangt niet meer, zoals in de tijd van Kennedy of Den Uyl, af van de groei van de overheidsuitgaven. Waar het om gaat is hoe bekwaam de mensen zijn die de respectabele idealen van links moeten vertalen in concreet beleid. Als president Clinton een Amerikaanse Wallage benoemt tot minister van onderwijs die ideologisch gemotiveerd gaat werken aan almaar grotere scholen en meer bureaucratie, dan wordt het Amerikaanse onderwijs de komende vier jaar niet beter. Komt er voor het internationale beleid een Amerikaanse Pronk, met meer interesse om stemming te maken tégen het IMF dan vóór Oost-Europa, dan schiet Amerika ook daar tekort. De test van de komende maanden wordt of president Clinton bekwame ministers kiest en daarna goed zijn prioriteiten stelt. Hij heeft daarbij het geluk dat de economie in 1993 sowieso sneller zal gaan groeien maar - zoals we zagen - dat helpt al niet meer wanneer hij moet vechten voor herverkiezing in 1996.