Tussen wal en schip

Achteraf gezien speelt mijn lange leven zich af tussen twee liedjes van mijn verre jeugd. Het eerste is: "Too young to tango'.

Wij mochten vroeger eigenlijk niks. Als we heel dapper zeiden: “dat ga ik doen”, dan kregen we te horen: “daar ben je nog te jong voor, dat is voor later”. Ongemerkt is het woordje "later' echter verdwenen.

Na een druk leven, waarin ik daarnaast thuis alles zelf deed, verscheen op mijn zesenzeventigste mijn eerste interieurverzorgster op het tapijt om het te kloppen. Zo voldeed ik lange jaren aan het verlangen van de Staat der Nederlanden om oude mensen zo lang mogelijk op zichzelf te laten wonen. Dat ging ook best, maar toch kwam eindelijk de behoefte aan een klein beetje verzorging.

Een serviceflat was de oplossing. Dat zou me bovendien in staat stellen in de buurt van mijn familie en vrienden te gaan wonen. Gezien het feit dat boven-vijfenzestigjarigen zich in dit land vrij in de plaats van hun keuze mogen vestigen, stond niets de verhuizing in de weg.

Een makelaar gebeld. Hij wist zo'n flat, zelfs in twee conglomeraten. Gaf me alle inlichtingen en het telefoonnummer van de directeur die vaderde over de meest gewenste flat. Ook die was me zeer ter wille. Hij schilderde enthousiast de merites van zijn huis en nadat ik iets over mezelf had verteld, dacht hij dat ik uitstekend in die woonomgeving zou passen.

Toen zei hij: “Ik moet nog een paar gegevens van u hebben, wanneer bent u geboren?” Ik noemde dag en jaartal.

Het was even stil aan de andere kant van de lijn, toen ik hoorde: “Jammer, wij hanteren een leeftijdsgrens van tachtig, misschien kan eenentachtig. Maar verder zal het bestuur wel niet gaan. Maar”, liet hij er hoopgevend op volgen, “ik zal m'n best voor u doen.”

Helaas, het bestuur was niet te vermurwen. Ik vroeg wat er tegen was. Dat bleek het feit dat ik, wanneer ik ziek word, daar niet verpleegd kan worden. Nu ben ik al zestig jaar lid van het Groene Kruis, waar ze me alleen kennen van mijn jaarlijkse contributie-overschrijving, dus misschien kan ik nog eens van hun diensten gebruik maken.

Maar in feite is zo'n leeftijdsgrens een discriminatie die kant noch wal raakt. Wanneer ik er op een dag uitstap, betalen mijn erfgenamen de servicekosten tot de flat weer verkocht is. Financieel dus geen centje pijn.

Ik vertelde nog dat mijn rijbewijs kortgeleden voor vijf jaar verlengd is. De lokettiste zei: “Nu moet u in mei 1997 terugkomen voor de verlenging.” Ik: “Maar dan ben ik negentig.” Zij: “Het staat hier echt.”

Ik: “ Als ik er dan nog ben.” Zij: “O, stellig.” Dat is nog eens andere koek.

Nu let ik dus een beetje op een leeftijdsgrens en dan moet ik zeggen dat ze in de streek waar ik wil wonen nog lankmoedig zijn met hun tachtig jaar. Er zijn serviceflats die een leeftijdsgrens van vijfenzeventig kennen, zelfs van tweeënzeventig.

En er zijn er die helemaal geen leeftijdsgrens hebben, maar die zetten regelmatig een wervende advertentie in deze krant en dat moet betekenen dat ze veel leegstand hebben.

Dus blijf ik nu maar zitten waar ik zit, het gaat nog en ik kan blindelings alles vinden.

Om mijn lieverdjes wat vaker te zien, heb ik een hotel ontdekt dat zijn slogan "home away from home' meer dan waar maakt. Daar boek ik me nu regelmatig in en zo komt iedereen aan zijn trekken. Ik kan er 's avonds een gast uitnodigen, de kinderen komen een ijsje eten en naar Sesamstraat kijken. Als ze gezwommen hebben, mogen ze in de badkamer hun haartjes drogen met mijn föhn.

Er is pas een oud-tante van hen, van de andere kant dan, overleden. De oudste van acht heeft zich door haar moeder omstandig laten informeren.

“Was tante nog ziek vóór ze doodging?”

“Een korte tijd.”

“Hoe oud was ze eigenlijk?”

“Tachtig jaar.”

“Nou, dan houdt tante Mart het ook lang vol.”

En zo ben ik - naar ik hoop niet te snel - op weg naar het tweede liedje uit mijn jeugd: “Wir verkaufen unser Oma ihr klein Häuschen.”