Sociale dienstplicht kan scala aan mogelijkheden openen

Heeft Elco Brinkman nu wel of niet een serieuze maatschappelijke discussie losgemaakt door bij de begrotingsbehandeling de sociale dienstplicht ten tonele te voeren? De reacties op zijn voorstellen variëren van meewarige afwijzing tot hardop doordenken over varianten of alternatieven die een aannemelijker saldo van voor- en nadelen vertonen, dan het verhaal van Brinkman zelf.

Op de opiniepagina in NRC Handelsblad van 29 oktober plaatst H.M. Langeveld haar aandeel aan de discussie in het kader van de veranderende relatie tussen burger en staat (NRC Handelsblad, 29 oktober). De verhouding tussen rechten en plichten binnen die relatie zou meer in evenwicht kunnen worden gebracht door de verplichtingen van de burger niet meer voornamelijk te gieten in de vorm van belastingen en premies, maar daarnaast van de burger ook bijdragen te vragen in natura, en wel als tijdelijke fysieke inspanning in de zorgsector.

Dit analoog aan de 118.000 in Duitsland zo gewaardeerde Zivi's, die gedurende vijftien maanden dienstplicht-vervangend werkzaam zijn in ziekenhuizen, verpleeg- en bejaardenhuizen, in de sfeer van natuurbehoud, milieuzorg, enzovoorts. Langeveld meent dat door het vragen van soortgelijke “burgerdiensten van andere bevolkingscategorieën of de hele bevolking” een onorthodoxe oplossing kan worden gevonden voor het conflict tussen onze behoeften aan maatschappelijke verzorging en het geld dat wij er collectief voor over hebben om in die behoeften te voorzien. Door burgers tot dergelijke diensten te verplichten zouden we de grenzen van de verzorgingsstaat kunnen optrekken en beter tegemoet kunnen komen aan maatschappelijke noden die nu te vaak onbeantwoord blijven. De ervaring in Duitsland wijst uit dat de onvermijdelijke verdringing van reguliere arbeidsplaatsen binnen aanvaardbare perken blijft: in kringen van de ÖTV (vakbond voor overheids- en dienstverlenende sector) wordt geschat dat dit jaarlijks in ten hoogste duizend gevallen voorkomt (NRC Handelsblad, 19 oktober). Op de momenteel 118.000 Zivi's is dat bepaald weinig.

Belangrijker dan de kwestie van de vervanging van reguliere arbeidsplaatsen, die in de zorgsector toch al steeds moeizamer worden vervuld, lijkt mij de vraag of het verplichte karakter van de voorgestelde burgerdienst geen onoverkomelijke problemen met zich mee brengt.

Zal de maatschappelijke waardering voor het werk in de zorgsector door invoering van verplichte burgerdienst niet zodanig afnemen dat het nog veel moeilijker wordt om mensen te vinden die dat werk professioneel op zich willen nemen? Zal de kwaliteit van de zorg niet onaanvaardbaar sterk dalen wanneer die wordt vervuld door merendeels ongemotiveerde mensen? Welke problemen ontstaan er bij de selectie van de mensen aan wie de overheid burgerdienst zal gaan opleggen? Welke mechanismen tot afwenteling van hun verplichting zullen bij zich die mensen ontwikkelen? Het lijkt uiterst twijfelachtig of de voordelen van een verplichte burgerdienst de nadelen ervan zullen overheersen.

Dit betekent niet dat we het idee moeten laten varen. De problemen in de zorgsector zijn veel te groot en groeiend om achteloos voorbij te kunnen gaan aan andere varianten met andere saldi van voor- en nadelen. Daarvoor lijkt het echter nodig een wijder denkraam te kiezen dan dat van rechten en plichten in de relatie tussen overheid en onderdaan. Voor wie zich los kan maken van het modieuze taboe dat in termen van "calculerend gedrag' soms lijkt te liggen over de vele alledaagse onderhandelingsrelaties tussen overheid en burger, wordt het volgende perspectief zichtbaar.

“Wij leven in een geldeconomie, waarbinnen zich een voortgaande functionele differentiatie en professionalisering voltrekken. (. . .) De geldeconomie wordt totalitair. De aangewezen weg lijkt dan de eertijds informeel verleende zorg voortaan beroepsmatig te laten vervullen.” Aldus Langeveld. "Lijkt', schreef ze, om daarop haar idee van burgerdienstplicht als alternatief te kunnen lanceren. Stel echter dat een manier zou kunnen worden gevonden om het totalitaire karakter van de geldeconomie te relativeren, dan zou wellicht ruimte kunnen ontstaan voor betere alternatieven.

Denkbaar wordt dan dat burgers die daar de wil en de mogelijkheid toe zien, zichzelf vrijwillig aanbieden voor burgerdiensten in de zorgsector. Als dat aanbod voor de desbetreffende instellingen aanvaardbaar is, dan krijgen die burgers voor hun diensten van overheidswege een soort vouchers in plaats van salaris. De waarde van die vouchers kan, maar hoeft niet even hoog te liggen als de marktwaarde van het werk dat zij als burgerdienst verrichten.

Die waarde is in principe beleidsmatig variabel, al zal die de marktwaarde natuurlijk nooit kunnen overstijgen. Evenzeer variabel is het karakter van die vouchers. Met gewoon geld hebben ze gemeen dat ze als ruilmiddel kunnen dienen. Ze onderscheiden zich echter van geld doordat ze naar herkomst en naar bestemming worden geoormerkt. Het voucher dat de burger voor zijn diensten in de zorgsector krijgt, is zichtbaar uit die sector afkomstig. Dat is van belang in verband met de mogelijkheid om de waarde van het voucher beleidsmatig te kunnen laten variëren (vergelijk met de bonnen die de automobilist krijgt bij de aankoop van benzine).

In tegenstelling tot geld is het voucher ook niet bruikbaar als (totalitair) ruilmiddel voor alles wat deze aardbol aan waardevolle zaken te bieden heeft - eerder integendeel. Ook de bestemming van het voucher is beleidsmatig variabel. De wetgever kan besluiten de burger wat dit betreft een scala aan mogelijkheden ter keuze aan te bieden: met het voucher kan men belastingen betalen, een OV-jaarkaart kopen, een studiebeurs aanvullen, andere diensten in de kwartaire sector afnemen, en dergelijke. Het voucher kan een kortere of langere geldigheidsduur meekrijgen. Het kan op naam worden gesteld, of anoniem en dus maatschappelijk ruilwaardig worden gemaakt. In verband met het voeren van doelgroepenbeleid is ook de vraag niet onbelangrijk of dit systeem van vrijwillige burgerdienst - en dus het bijbehorende voucher - toegankelijk is voor alle burgers of alleen voor bepaalde doelgroepen.

Het zou vruchtbaar zijn de politieke en ambtelijke verbeeldingskracht van ons land eens op deze en dergelijke dimensies te oefenen. Ongetwijfeld zal zich dan een breed veld aandienen van mogelijkheden om te experimenteren en zodoende beleid te laten ontwikkelen, waarmee de relatie tussen behoeften en voorzieningen in de zorgsector maar ook de relatie tussen burger en overheid weer enigszins in evenwicht kan worden gebracht.