Regisseuse wil te veel in toneelbewerking van sprookje van Andersen

Alle feitjes en liedjes over nachtegalenVoorstelling: De nachtegaal. Tekstredactie en regie: Annekee van Blokland. Spel: Lilian van Bennekom en Hans Thissen. Decor: Niek Michel, Frans Huisman, Anita van Dalen. Produktie: InDependance en Stichting Sequoia. Gezien: 7/11 Schouwburg Arnhem. T/m 13/11 aldaar; daarna elders t/m 24/12.

Wie De nachtegaal van Hans Christian Andersen herleest ontdekt daarin een symboliek die hem als kind totaal ontging. De Chinese keizer uit dat sprookje, begrijpt hij, is een van die geletterde mensen die iets alleen geloven als zij erover gelezen hebben. “Er moet in mijn tuin een zeer merkwaardige vogel zijn die ze nachtegaal noemen,” zegt hij tegen zijn hofmaarschalk. Dat weet hij van een geleerde die er een boek over geschreven heeft. De keizer en zijn hovelingen vertrouwen niet op hun eigen zintuigen, maar uitsluitend op de kennis van anderen. Zo overgecultiveerd zijn zij dat het lied van de namaaknachtegaal hun beter bevalt dan dat van de echte. Mensen die ver van de natuur verwijderd zijn, lijkt Andersen te willen zeggen, staan ook niet open voor de muze.

Van De nachtegaal is nu onder dezelfde titel een toneelvoorstelling gemaakt. Dat wil zeggen, we zien twee jonge acteurs, een man en een vrouw, die verwoede pogingen doen om grip op het sprookje te krijgen. Elke zin van Andersen roept vragen bij hen op; verdwenen is de naïeve goedgelovigheid. Alleen al de openingszin stelt hen voor enorme problemen. Die zin luidt, in een archaïsche vertaling: "In China is, zoals ge weet, de keizer een Chinees." Maar, zo vragen de spelers zich af, waarom speciaal China? Kan het verhaal zich niet net zo goed ergens anders afspelen? En om welke keizer gaat het hier? Ellenlange verhandelingen volgen, over de kind-keizer Puyi, over het vervaardigen van Chinees porselein, over de wijze waarop van mannen eunuchen werden gemaakt. De teksten lijken zo uit de Grote Winkler Prins te zijn overgeschreven. Slechts zelden komen de twee acteurs aan het opvoeren van scènes uit het sprookje zelf toe en zelfs dan onderbreken zij het spel voortdurend met gekissebis over een of ander onnozel feitje. Zo bevestigen zij Andersens overtuiging dat een teveel aan kennis dodelijk is voor het voorstellingsvermogen.

Wanneer de regisseuse het bij deze ene op zich juiste interpretatie had gelaten was daar misschien toch een interessante voorstelling uit voortgekomen. Zij wil echter te veel dingen tegelijk. In haar toneelstuk over het maken van een toneelstuk verwerkte zij ook een liefdesgeschiedenis en het geheel overgoot zij met een exotisch sausje om toch nog iets van de sfeer uit het sprookje over te brengen. Het decor bestaat uit een mooie papieren achterwand die aan een Japans interieur doet denken en de spelers dragen kostuums van brokaat en zijde.

Ook de muziek is een allegaartje. Twee door een mannenkoor gezongen liederen over de "Vögelein im Walde' moeten voor een hilarisch effect zorgen, maar op mij mist die grap zijn uitwerking. Het is, denk ik vermoeid, of de theatermakers tegen elkaar gezegd hebben: “Kom, laten we in de muziekafdeling van de Openbare Bibliotheek eens alle cd's met liedjes over nachtegalen lenen, dan nemen we die fijn op de Revox op.” Wat dit gezelschap kennelijk niet wilde inzien is dat alleen verbeeldingskracht een voorstelling over het falen daarvan, boven zichzelf kan uittillen.