Koen van Velsen biedt kunstenaars aan Rijksakademie Amsterdam robuust onderkomen; Monumentale werkplaatsen in een oude kazerne

Volgende maand neemt de Rijksakademie officieel zijn nieuwe behuizing in gebruik, een verbouwde kazerne uit eind vorige eeuw. Al te esthetisch moest het van architect Koen van Velsen niet worden, de academie is vooral een werkplaats.

Aan de mensen die door de gangen en over de binnenplaats lopen van de Rijksakademie in Amsterdam is niet te zien wie bouwvakker is en wie kunstenaar. Dat bevalt architect Koen van Velsen wel. “Dit is geen mooi esthetisch gebouw,” zegt hij, “maar een werkplaats, een organisme waarin iedereen zijn plek vindt.”

Hoewel de officiële opening volgende maand wordt verricht, is de Rijksakademie al enige tijd bezig bezit te nemen van zijn nieuwe behuizing, de verbouwde negentiende-eeuwse Kavallerie-kazerne uit 1864 aan de Sarphatistraat. In de gemeenschappelijke werkplaatsen van de diverse disciplines - beeldhouwen, schilderen, tekenen, grafiek en foto/video - worden de machines aangesloten; de individuele ateliers raken gevuld met allerhande gereedschap en werk in wording van de zestig kunstenaars die hier voor een periode van twee jaar komen werken onder begeleiding van docenten als Marlene Dumas, Armando en Peter Struycken.

Het vertrek van de Stadhouderskade, waar de academie 116 jaar lang zetelde, had veel voeten in de aarde. Al tien jaar geleden had het ministerie van WVC dat gebouw onbruikbaar verklaard; de opdracht aan Van Velsen van de academie, WVC en de Rijksgebouwendienst dateert van eind 1985. De verbouwing zelf was een ingrijpende operatie die ruim anderhalf jaar duurde. “De oppervlak van het bestaande gebouw moest met ruim een derde worden vergroot,” zegt Van Velsen (40). “Het stond dus vast, dat de binnenplaats moest worden bebouwd. Tegelijkertijd wilde ik het karakter van het bestaande gebouw handhaven, dat onopgesmukte dat zo goed aansluit bij het karakter van de Rijksakademie. Aan de voorkant is de statige gevel behouden met het sterke ritme van de ramen. De geschiedenis van het complex moest afleesbaar blijven.”

Van Velsens rough 'n' tumble-architectuur leent zich er bij uitstek voor. Hij heeft ook ervaring met hergebruik, onder andere bij Gooiland in Hilversum. De industrieel aandoende materialen waar hij van houdt zoals golfplaat, gegalvaniseerde roosters, ruw hout en glazen bouwstenen, blijken hier in combinatie met het negentiende-eeuwse baksteen onverwachts esthetisch. Maar achter deze ongemaniëerde stijl gaat een heldere organisatie schuil. Die stond directeur Janwillem Schrofer dan ook helder voor ogen, tot en met de keuze van de meubels en het aantal stopcontacten toe. Een perfecte opdrachtgever, zegt de architect uit volle overtuiging.

In de kazerne en de manége zijn de praktijkruimtes ondergebracht: vijftien werkplaatsen beneden, zestig individuele ateliers en een aantal project-ateliers waar kunstenaars uit verschillende disciplines gezamenlijk kunnen werken. Luchtbruggen verbinden de oudbouw met twee nieuwe torens van glas en staal op de binnenplaats, het centrale trefpunt. Daarin zijn ondergebracht de bibliotheek, het auditorium, de expositiezaal, de kantoren, een dia-archief met tachtigduizend dia's en een daglichtstudio voor de afdeling fotografie.

“Voor het aantal mensen dat hier werkt - zestig kunstenaars en zestig medewerkers - biedt dit gebouw relatief veel ruimte,” aldus Van Velsen. “Ik moest er voor zorgen dat ze elkaar zien en tegenkomen, maar ook in rust en concentratie kunnen werken.” Die rust kan monumentale vormen aannemen, bijvoorbeeld op de werkplaats van de beeldhouwers: een hoge, strakke nieuwe kubus naast de manège, waar het licht door reusachtige schuifdeuren naar binnen stroomt. Maar het kan ook een intieme, haast sacrale aangelegenheid zijn, zoals in de gang waar de zon door de ramen in het houten dak kleine vierkantjes licht op de wanden werpt.

Wie er op let, merkt bovendien dat het nieuwe net een paar graden gedraaid staat ten opzichte van het bestaande. Even simpel als verfijnd is de afvoer van hemelwater langs kettingen die vlak voor de gevel hangen, een oud Japans systeem dat wonderwel bij Van Velsens architectuur blijkt te passen. Om de locatie van de kazerne aan het water van de Singelgracht beter tot zijn recht te laten komen, heeft hij in de achterkant van het gebouw net zo'n brede poort gemaakt als bij de entree. Voorbijgangers kunnen nu dwars door het complex heen kijken en een glimp opvangen van het water. Daar staat de kantine, een soort veredelde schaftkeet die met minimale middelen en maximale zorg is bedacht en uitgevoerd. Met dezelfde bestudeerde nonchalance zijn er bij de verhuizing wat oude beelden op een stapel in het gras gelegd: een zweem Arcadië in de kunstfabriek.

Oud en nieuw, samen en toch apart. Het resultaat, dat 33 miljoen heeft gekost, is in alle opzichten gelukkig. Niet alleen is het vroeger zo somber, gesloten gebouw een levendig deel van de stad geworden, bovendien toont Koen van Velsen aan hoe hergebruik van het bestaande voorbeeldige architectuur kan opleveren. Het is te hopen dat de architect en de gemeente overeenstemming bereiken over nieuwbouw naast de Rijksakademie voor Stichting 110, een combinatie van commercieel te exploiteren woningen en een internationaal interdisciplinair kunstenaarscentrum.