"Het primitivisme triomfeerde in onze kunstgeschiedenis'

AMSTERDAM, 9 NOV. “Weet u hoe je met een boemerang moet omgaan? Nee? Ik ook niet, maar het feit dat we die techniek niet beheersen wil toch niet zeggen dat wij samen primitief zijn”. Sir Ernst Gombrich, de vooraanstaande Britse kunsthistoricus en schrijver van bekende boeken als Eeuwige schoonheid en Kunst en Illusie, wist zaterdag na een lange lezingen-dag nog genoeg voorbeelden te verzinnen om het begrip "primitief' te relativeren. Een begrip waarmee vaak lukraak zowel kindertekeningen als vroeg-christelijke en Afrikaanse kunst wordt getypeerd. Men geeft er vooral mee aan dat de suggestie van ruimte en diepte, van perspektief, ontbreekt.

Gombrich (83), die aan zijn nieuwe boek The preference of the primitive werkt, was één van de gasten op een colloquium van de SPKO, de Stichting voor Post-Universitair Kunsthistorisch Onderzoek in Amsterdam. De bijeenkomst in een uitverkocht Soeterijn stond in het teken van de niet-westerse hedendaagse, met name de Afrikaanse kunst. Want sinds de Parijse monstertentoonstelling Magiciens de la terre in 1989, is de westerse belangstelling voor de artistieke verrichtingen op dit continent aanzienlijk gegroeid. Zo volgde in 1990 in New York Africa explores, een breed overzicht van twintigste-eeuwse Afrikaanse beeldende kunst die voor het eerst in categorieën als "New Functional Art' en "International Art' werd onderverdeeld. En in Nederland nam vorig jaar het Groninger Museum het voortouw met Africa now. De vijftien geselecteerde beeldhouwers en schilders maakten duidelijk dat ze ondanks westerse verworvenheden als perspektief, glanzende lakverf en academies van beeldende kunst, voortbouwen op hun eigen culturele erfgoed. Een erfgoed dat begin deze eeuw de kubisten en expressionisten weliswaar tot autonome kunstwerken inspireerde, maar dat hier steevast als curiosa in volkenkundige musea belandde.

Ook met de eigentijdse Afrikaanse kunstproduktie wisten de moderne kunstmusea in het westen geen raad. Succesvolle schilders als Chéri Samba en Middle Art die inmiddels door westerse galeries worden vertegenwoordigd, hebben daarin verandering gebracht. Het is nu soms aan de stimulans van westerlingen te danken dat een Afrikaanse kunstenaar zijn eigen "platte' beeldtaal handhaaft, zoals de kunsthistoricus Paul Faber, werkzaam bij het Museum voor Volkenkunde Rotterdam, zaterdag aanstekelijk uiteenzette. Zijn dia's illustreerden dat Afrikaanse kunstenaars zich nu nog als trotse ambachtslieden presenteren. Zij schilderen zowel nummerborden als academische portretten.

Jeroen Stumpel, hoogleraar kunstgeschiedenis in Utrecht, betoogde aan de hand van rotsschilderingen en kindertekeningen dat er een "nul'-fase van het beeld bestaat. Een primitieve vorm met een universeel karakter, die in het westen vanaf de renaissance fasegewijs op het platte vlak werd uitgebreid met onder-, voor- en achtergrond. De schilder liet zijn personages de ruimte verkennen. Geometrische patronen in gewelven en tegelvloeren hielpen hem zijn voorstellingen wiskundig te construeren. Toch is de westerse beeldtaal nadien maar gedeeltelijk bepaald door dat dominante perspektief, betoogde Stumpel aan de hand van zowel achttiende-eeuwse doeken als eigentijdse reclame-advertenties.

Eenzelfde relativering bracht Gombrich aan. Maar hij waarschuwde wèl dat we nu niet moeten doorslaan naar een overwaardering van de primitieve beeldtaal. Het westerse dédain voor Afrikaanse kunst schreef hij toe aan het ontbreken van empathie en kunsthistorische kennis. Ook het westerse streven naar vooruitgang, naar een steeds grotere virtuositeit, zoals Giorgio Vasari in zijn zestiende-eeuwse kunstenaarsbiografieën tot uitdrukking bracht, is debet aan die geringschatting.

Desondanks heeft het "primitivisme' standgehouden. Het heeft in de twintigste-eeuwse Westerse kunstgeschiedenis zelfs getriomfeerd, meende Gombrich. Ter illustratie daarvan liet hij niet een schilderij van een "Fauve' zien of van een "Neue Wilde', maar een aandoenlijke tekening die hem als veertienjarig jongetje cadeau werd gedaan door de kokkin des huizes. Ze portretteerde Gombrich als een stijf knaapje in gezelschap van zijn muziekleraar, een mijnheertje dat een pijp tussen zijn lippen houdt in de vorm van een kromme spijker. Tussen hen in staat de cello. Maar omdat haar tekening te "wit' bleef besloot de kokkin links nog een vogelnestje en rechts een bloem af te beelden, naar voorbeeld van een ansichtkaart. De renaissance-kenner Gombrich is nog steeds verguld met dit kunstwerkje, misschien nog veel méér dan toen in Wenen op zijn verjaardag.