Een nieuwe fiets

Op mijn dertiende verjaardag doet mijn moeder geheimzinnig. Ze heeft geen cadeau, maar ik moet mee naar juffrouw Zuidema, die verderop in een eenspersoonsspookhuisje woont waar het naar rotte tanden ruikt en naar vies en opgewarmd. O Heer, geen koffie. Geen koffie? En òf koffie. Lauw, met een gelig vel. Bijna moet ik overgeven. Een smerig, goor koekje, Paultje? Waar de muizen aan hebben gezeten en de kater (vol eczeem) op heeft liggen slapen? Neem er twee, en twee voor onderweg, want juffrouw Zuidema krijgt ze niet meer door haar paarse struma.

Ik zeg op alles ja, want er gaat straks iets gebeuren wat met verrassing en verjaardag heeft te maken. (Waarom keek mijn zusje zo vals toen moeder voorstelde dat we naar juffrouw Zuidema zouden gaan?) Juffrouw Zuidema staat op, en moeder kijkt uit het raam. Fluks de koffie in de clivia.

“Hij staat in het schuurtje. Hij is sinds de dood van Sjoerd niet meer gebruikt. Dat heb je soms als iemand doodgaat. Hij hoeft alleen de banden maar op te pompen.”

Een fiets. Ik krijg een fiets! De fiets van Sjoerd die zich op zolder heeft verhangen. Waarschijnlijk vanwege de cichoreikoffie met de aangebrande melk. (Sindsdien gingen in het huis soms midden in de nacht vanzelf de lampen aan en uit, blaften in de wijde omtrek honden waar geen honden waren en lagen er 's morgens dode vleermuizen in de schoenen van de zusters van het nonnenschooltje.)

't Zal mij allemaal een zorg zijn. Ik krijg een fiets. Nooit meer de hele zondag voor de deur hangen omdat iedereen er op de fiets vandoor is. Zonder fiets ben je niets. Zo is dat.

Naar het schuurtje. Dat stuk touw daar in de hoek zal toch niet... Spinnewebben. Halfdonker. Juffrouw Zuidema hijgt. Ze is veel te dik en lijdt aan waterzucht. Volhouden. Een fiets is een fiets. Waar staat hij in vredesnaam? Daar. Daar achter. Onder die jutezakken. Ik probeer hem er onderuit te trekken. Dat valt niet mee. Een sliert spinrag in mijn gezicht. Zou Sjoerd zich alleen om die koffie hebben opgehangen? Moeder en juffrouw Zuidema staan op het plaatsje. Komt er nog wat van? Zakken weg. Dat ziet er goed uit, zeg. Moet je die grote, glimmende koplamp zien. Een echt leren zadel. Heeft niemand. Stof ik zo af. Kom op, naar buiten met mijn nieuwe fiets.

“Nu”, zegt moeder, “daar kijk je van op hè? Is dat een fiets of is dat geen fiets?”

Ik zie het meteen. 't Is een damesfiets. Of ik het niet wist. Nooit gaat er iets goed in mijn leven. Altijd is er wat. Nooit krijg ik een keer wat ik echt echt wil. Gekeerde broeken, ja. Broeken waar je broertje twee jaar in heeft lopen ruften en stinken. Een jas die te klein gemaakt is van een overjas van vader. Een door een debiele tante van restjes wol in elkaar gebreide slipover met bulten en plooien. “Nog één keer strijken en persen en dan zijn ze weg.”

Nou, geloof het maar mooi niet. Ik gooide hem onderaan de trap op weg naar school achter de deur. En nu dit. Ik zie me al op een damesfiets. Moet je die jongens straks eens horen. Geen meisje dat je nog aankijkt.

“Kom, sta daar niet zo. Daar hangt de fietspomp. Pomp hem op. De banden zijn als nieuw. Die hele fiets is als nieuw.”

“'t Is een damesfiets”, probeer ik.

“Ja”, zegt moeder een beetje onzeker, “maar een damesfiets is toch ook een fiets? Daar gaat het ons tenslotte om.”

Ik begin langzaam de banden op te pompen. 't Is een mooie fiets, bonst en gonst het in me. Eindelijk heb je een fiets. Je wilde toch zo graag een fiets? Dit is nu jouw fiets. Je eigen, mooie, nieuwe fiets. Je eigen, mooie, echte, nieuwe, fijne dàmesfiets.

Juffrouw Zuidema: “Voor een herenfiets ontbreekt alleen de stang. Maar ja, daar is hij dan ook een damesfiets voor, nogal wiedes. Wat is nou een stang?

't Zou geen gezicht zijn, een damesfiets met een stang. Dan zou het immers helemaal geen damesfiets meer zijn, maar een gewone herenfiets. En een dame op een herenfiets? Dat is toch geen gezicht? Zeg nou eens zelf, Jans?''