Dubcek

ALOM IN DE WERELD is gisteren met lovende verklaringen stilgestaan bij de dood van Alexander Dubcek - behalve in Tsjechoslowakije, waar het eerbetoon beperkt bleef tot wat opmerkingen van ex-president Havel, bijna terloops geuit tijdens een televisiedebat.

Het is minder vreemd dan het lijkt. Alexander Dubcek was voor de meeste Tsjechoslowaken een held toen in augustus 1968 de troepen van het Warschaupact een eind maakten aan zijn Praagse Lente. Maar al luttele dagen later viel hij van zijn voetstuk. Milan Kundera heeft geschreven over de radiotoespraak waarin Dubcek na zijn terugkeer uit Moskou de concessies aan Brezjnev cum suis verdedigde. Ze luisterden, schreef Kundera, met teleurstelling, met woede zelfs, en in de twintig jaar daarna herinnerden ze zich van die toespraak alleen de lange, lange stiltes achter elke zin.

Bovendien: na 1969 verdween Dubcek niet alleen van het politieke toneel, hij liet zich ook wegzuiveren, en ook dat hebben de Tsjechoslowaken hem nooit vergeven. Hij schreef geen protesten, geen open brieven, hij ondertekende Charta 77 niet en hij meed elk contact met de dissidenten - Havel voorop - die in de confrontatie met Dubceks opvolgers hun vrijheid riskeerden. Toen voor het socialisme het doek viel, hebben sommigen nog even getracht Dubcek president te maken. Maar de Tsjechoslowaken moesten hem niet meer: voor hen was hij eerder een symbool van lafheid dan een symbool van het socialisme met een menselijk gezicht.

VOOR DE BUITENWERELD ligt de symboliek elders: voor het buitenland telt Dubceks gedrag na 1969 minder dan zijn poging het socialisme een menselijk gezicht te verschaffen. Acht maanden spreken in 1968 - en niet twintig jaar zwijgen daarna - bepalen zijn plaats in de Europese geschiedenis. Michail Gorbatsjov zei gisteren dat als de Oosteuropese regimes in 1968 de Praagse Lente niet hadden onderdrukt maar Dubceks beleid hadden overgenomen, de wereld van het Oosten er op dit moment heel anders uit zou zien. Het was de spijker op zijn kop.