Dijkverlaging

Ir. Juliëtte Kuiper vermoedt dat de noodzaak tot dijkverzwaring is ontstaan of toegenomen door maatregelen in het stroomgebied van de Rijn gedurende de afgelopen dertig jaar (NRC Handelsblad, 29 oktober). Dat is onjuist, want de moderne normen voor de hoogte van rivierdijken stammen van dertig jaar terug. Sedertdien zijn die normen enigermate versoepelt. Zij hoefden niet in ongunstige zin te worden bijgesteld.

Door de versnelling van de waterafvoer is bij veel zijrivieren van de Rijn de kans op overstroming toegenomen tot enige keren per eeuw. Die overstromingen verlagen de hoogwatergolven weer wat. Met waterretentiemaatregelen en dergelijke kan de overstromingskans worden verkleind tot een voor de meeste regio's acceptabele maat van ongeveer één keer per eeuw. Die maatregelen schieten bij het ontstaan van de minder vaak voorkomende ramp-hoogwaters tekort en werken dan vermoedelijk zelfs niet eens verlagend. Van het toevallige samenspel van de ramp-hoogwaters op de zijrivieren hangt het af of op de Rijn een voor ons gevaarlijk hoogwater ontstaat.

De noodzaak tot dijkverzwaring is door versnelling van de afvoeren niet toegenomen en zal dus ook niet door maatregelen ter vertraging afnemen. Het zoeken naar tijdelijke oplossingen ter verhoging van de veiligheid tegen overstroming, zoals zij voorstelt, heeft daardoor geen zin.

Een rekensommetje leert dat om dijkverbeteringen overbodig te maken, zo dat al mogelijk is, niet aan vergroting van de uiterwaarden met enige honderden hectaren moet worden gedacht maar ten minste aan enige duizenden hectaren. Haar idee om water te laten stromen in of door een bevolkt gebied is niet realistisch.

    • Ir. D.M. van der Schrier