DE PANTSERWAGEN IS VERLEDEN TIJD

Het is bijna winter en dus mogen de veldrijders zich weer uitleven. Radomir Simunek is een van de trekpleisters voor de toeschouwers. Gisteren was hij in het Drentse Gieten. De Tsjechoslowaakse maestro is in zijn lange loopbaan prachtige hoogtepunten en diepe dalen tegen gekomen. Hij ruilde een slome pantserwagen voor een dure Chrysler.

“Daar gaat Simunek.” Het maakte niet uit in welke positie de Tsjechoslowaak zich bevond, een deel van het publiek in het Zwanemeerbos van Gieten herkende hem, wees hem na of riep zijn naam. Radomir Simunek is een grootheid in deze discipline. Dat is niet alleen het gevolg van zijn tweevoudige eindzege in het belangrijke Superprestige-klassement en zijn wereldtitel van 1991. Al in zijn amateurtijd - in 1983 en 1984 veroverde hij de regenboogtrui - had hij, ook buiten eigen land, reeds vele enthousiaste bewonderaars. Die idealiseerden hem als veldrijder en voorspelden dat Simunek ooit de beste profs naar huis zou rijden, als hij daartoe tenminste een eerlijke kans zou krijgen.

Vóór de Fluwelen Revolutie in Praag, drie jaar geleden, mocht de renner uit Pilzen zijn krachten slechts sporadisch meten met de betere broodfietsers. Dat gebeurde dan in open wedstrijden. Hij had niet bijster veel succes, wat geen wonder was gezien zijn slechte voorbereiding. Simunek herinnert het zich nog goed. Samen met vijf of zes collega's reisde hij een dag voor zo'n koers in een bestelbus van Oosteuropese makelij naar Zwitserland, België of Nederland. “Het was net een pantserwagen”, lacht hij. “Hij kon honderd per uur. Maar met zo veel mensen er in, plus het zware materiaal en de kleding, haalde hij dat natuurlijk lang niet. We kwamen altijd gebroken aan. Terug was de auto helemaal afgeladen, want voor de familie moesten we ook nog eens allerlei luxe spullen uit het Westen meenemen.”

Simuneks sportleven lijkt op dat van de wegrenner Olaf Ludwig. Evenals de Oostduitser is hij een bijzonder talent, een ex-paradepaardje van een communistisch bewind, dat door een politieke omwenteling financieel pas op late leeftijd in het buitenland kon gaan oogsten. Ludwig pakt via Panasonic en Telekom het echte Grote Geld, de crosser Simunek moet met minder genoegen nemen. Maar zijn Brabantse zaakwaarnemer Gerry van Nuland rekent voor dat de 30-jarige coureur “nog altijd vijfentwintig keer zo veel verdient als de gemiddelde Tsjechoslowaakse werknemer”. Zijn inkomen bestaat uit startgelden, premies en prijzen alsmede een niet geringe bijdrage van zijn sponsor Saxon. Het Belgische bedrijf, dat horloges, batterijen en videotapes uit Taiwan op de markt brengt, heeft bovendien het plan Simunek en diens vrouw in de nabije toekomst aan te stellen als zijn importeur in Tsjechoslowakije.

“Wie had gedacht”, grijnst Simunek, “dat ik dankzij mijn fiets ooit zo ver zou komen? Dat de slome pantserwagen nog eens plaats zou maken voor een dure Voyager Chrysler die circa honderdtachtig kilometer per uur haalt?” Het spreekt voor zich dat de geldschieter een goede tegenprestatie verwacht van de Oosteuropeaan, die de reeks van twaalf Superprestige-wedstrijden van dit seizoen matig begon. In de eerste krachtmeting, in het Zwitserse Esschenbach, werd hij vijfentwintigse. Vorig weekeinde werd hij thuis in Pilzen zevende en gisteren sprintte hij in Gieten naar de tweede plaats achter de winnende Vlaamse solist Danny de Bie. Simunek was meer dan tevreden over zijn uiteindelijke klassering in Drente. Logisch, want door een val in de eerste bocht (“ik tuimelde ineens over Martin Hendriks heen”) raakte hij aanvankelijk ver achterop.

De Tsjechoslowaak knokte knap terug. Zei dat vechten te hebben geleerd van de vele tegenslagen in zijn leven. Hij doelde daarbij niet op de financiële klappen - tot 1989 verdween zijn startgeld van twee mille per race op vijfentwintig gulden na in de kas van het Tsjechoslowaakse sportcomité - maar op die welke zijn gezondheid betroffen. Tussen 1985 en 1987 onderging hij drie knie-operaties. Zijn loopbaan hing helemaal aan een zijden draadje toen de artsen vijf jaar geleden vaststelden dat hij ontstoken hartspieren had als gevolg van een verwaarloosde angina. Finito, dacht Simunek, maar hij kwam er wonderwel bovenop. “Ik werd weer helemaal de oude, kon alles weer.”

Simunek is technisch bijzonder vaardig en rijdt heel economisch. Hij is er trots op geen trap te veel te doen. Een kwestie van intelligentie noemt hij dat. Hij omschrijft zichzelf als een denker op de fiets die niet, zoals zo velen van zijn collega's, oogkleppen op heeft en smijt met zijn krachten. Realiseert zich wel dat hij door die instelling niet echt voor spektakel zorgt, waar de bedreigde cyclo-cross juist zo'n grote behoefte aan heeft. Simunek is er ook niet de man naar mee te doen aan veel besproken stammenoorlogen tussen stugge Twenten en brave Brabanders, zoals die zich in de tijd van Hennie Stamsnijder en Reinier Groenendaal afspeelden. En zeker is hij geen rebel als Roland Liboton, die zijn Belgische bond er tot veler vermaak geregeld van langs gaf of collega-toprijders in het openbaar voor schut zette.

Onder het strenge regime heeft Simunek geleerd zich te beheersen. Een enkele keer echter wordt een bepaalde ontwikkeling hem te machtig. Begin deze competitie overkwam hem dat in de veldrit van Eindhoven, waar Adri van der Poel hem de huid vol schold omdat hij geen meter kop wilde doen. In de sprint van het gevluchte duo leek hij een poging te ondernemen de Nederlander in de hekken te rijden. “Was niet zo bedoeld”, zegt de gentleman nu. “Van der Poel? Geen kwaad woord over hem. Je zult me trouwens nooit iets negatiefs over concurrenten horen vertellen. Dat ligt niet in mijn aard. Adri en ik zijn goede maatjes” besluit hij en hij toont een shirt dat hij kort tevoren van Van der Poel heeft gekregen. “Dat tricot is voor mijn privé-mecanicien en -chauffeur. Daar staat-ie. Die man heeft een kamer ingericht met truien van alle cross-kampioenen. Het zal een prachtige dag voor hem zijn. Hoewel, we hoorden net het bericht dat Alexander Dubcek is overleden. Dat overschaduwt al het mooie van vandaag.”