Britse dodenherdenking nog vitale traditie

LONDEN, 9 NOV. Gisteren, de tweede zondag in november, vierden de Britten Remembrance Sunday. Het was de 73ste keer na het einde van de Grote Oorlog (1914-1919) dat in het hele land mensen naar de oorlogsmonumenten kwamen, die hier in elke stad en elk dorp herinneren aan de gevallenen.

De nationale ceremonie, de grootste van alle, concentreert zich in Whitehall in Londen. Hier staat de koningin, op klokslag elf van Big Ben, twee minuten roerloos voor de Cenotaph, het oorlogsmonument naar ontwerp van Sir Edward Lutyens. Een half uur later, wanneer de march past in volle gang is, is de voet van dit monument al met rood bedekt: de kransen en ankers met klaprozen, die het bloed, vergoten voor het vaderland, symboliseren.

Er is noch in Engeland, noch in Schotland, noch in Wales, noch in Noord-Ierland discussie over de vraag of de nationale dodenherdenking nog zinvol is. De ceremonie, met haar combinatie van soberheid en pracht en praal, van militair vertoon en kerkelijke aanwezigheid, van vorst en volk, is hier springlevend. Wat haar zo vitaal maakt, is de blijvende betrokkenheid van de Britten bij de oorlog zelf: van de tienduizenden doden uit Passchendaele en - dit jaar vijftig jaar geleden - El Alamein loopt een regelrechte lijn naar de Britse soldaten die sneuvelden in de Falklands en de Golf-oorlog, naar degenen die bijna wekelijks sneuvelen in Noord-Ierland en naar de Britse VN-militairen in de Balkan, van wie dit weekeinde juist is bericht dat ze voor het eerst vijandelijk vuur hebben beantwoord.

Het is daarom niet een restje nostalgie, maar een moment van nationale inkeer, wanneer op Remembrance Sunday die lange, lange rij van met de oorlog geassocieerden langs de Cenotaph trekt. Van de officiële kransleggers zijn er twee die uit eigen ervaring de oorlog kennen: prins Andrew, de tweede zoon van de koningin, vocht als helikopterpiloot in de Falklandoorlog. Paddy Ashdown, de liberale leider, zag actie als marinier in het Verre Oosten. Maar de ontroering gaat vooral uit van die lange stoet met anonieme Britten, die er behoefte aan hebben de belangrijkste emotie in hun bestaan op deze manier vorm te geven. Van de veteranen uit de Eerste Wereldoorlog, van wie de overlevenden inmiddels de 100 naderen, zijn er niet veel meer over. Gisteren liet de BBC-televisie de bewogen gezichten zien van het handjevol mannen op krukken en in rolstoelen dat ervoor leeft om elk jaar nog één keer naar de velden van Noord-Frankrijk te gaan en nog één keer naar de Cenotaph te komen. Bij hen vergeleken lijken de paraderenden uit de Tweede Wereldoorlog, mannen en vrouwen, jonge kerels.

Het bestuur van het Royal British Legion, de welzijnsorganisatie voor Britse militairen-in-ruste, verraadt zijn militaire achtergrond door stram langsmarcherend synchroon de bolhoed af te nemen voor het monument. Landmacht, luchtmacht en marine dragen de poppies aan. Het enige niet-rode gedenkteken is het kruis van witte chrysanten, dat boven het rood uitsteekt: het eerbetoon van de oorlogsweduwen. Tussen de Korea-veteranen en de Falklands-deelnemers worden de levenslang veroordeelden begeleid door de militaire liefdadigheidsorganisatie voor “de ledemaatlozen” en die voor “de blinden”. Verhullend woordgebruik is er hier niet bij.

Remembrance Sunday is de dag waarop de Britten denken aan de doden, maar ook aan de achterblijvenden. Zo werden in Enniskillen, Noord-Ierland, de elf bewoners herdacht die vijf jaar geleden zelf naar de dodenherdenking gingen om een krans te leggen, maar die werden opgeblazen door de IRA. Maar daarbij dacht Enniskillen ook aan zichzelf: Remembrance Sunday wordt voor geen van de inwoners die in 1987 getuige waren van de explosie en de gevolgen daarvan, ooit meer hetzelfde.

Voor jonge mensen is Remembrance Sunday levend door de recente oorlog in de Golf - waar voornamelijk slachtoffers onder de Britten vielen door “bevriend vuur” van misleide Amerikanen - en door de dagelijkse stroom van berichtgeving over de verschrikkingen van Noord-Ierland. De kerken beklemtonen dat ze jonge mensen bij de herdenking willen betrekken door ook verzoening en een toekomst van vreedzaam samenleven te prediken. Maar er is weinig aanleiding om te veronderstellen dat de vorm van herdenking, met de bloedrode klaprozen en het zeggen van Laurence Bynions gedicht aan het eind van elke officiële ceremonie, in de nabije toekomst zal veranderen. De woorden blijven immers altijd goed: “Age shall not weary them, nor the years condemn. At the going down of the sun, and in the morning, we will remember them.”