Betoging tegen racisme ruw verstoord

BERLIJN, 9 NOV. “Waarom?”. Dat was het enige woord dat president Richard von Weizsäcker gistermiddag nog kon uitbrengen voordat de stroom uitviel en de ordeverstoorders hun werk begonnen. Dezelfde vraag stelde ergens midden in de menigte een klein meisje haar vader, toen ze tussen de spandoeken door zag hoe mannen met witte helmen zich rondom de president opstelden en hoe het vechten begon. De vader gebruikte enkele krachttermen om het gedrag van “die linksen” te beschrijven. Het meisje leek het antwoord niet te begrijpen, maar aan haar gezicht te zien was het demonstratiefeest grondig verstoord. En weg was de aandacht voor de aanleiding van de betoging: dat er mensen zijn die bang zijn in Duitsland te wonen, en dat hun aantal groeit.

Tussen de naar schatting 350.000 mensen die gisteren in Berlijn demonstreerden tegen racisme en vreemdelingenhaat vormden ze maar een klein groepje, de paar honderd links-radicale "Autonomen'. Maar ze hadden zich wel strategisch opgesteld: pal voor het podium, pal voor de televisiecamera's. Ze zwaaiden met hun rode en zwarte vlaggen en bliezen op hun snerpende fluitjes. Dwars door de eerste spreker heen, dwars door het Turkse kinderkoor uit de wijk Kreuzberg heen, dwars door het zigeunerorkest heen. Alleen toen de jongens van de rockband Pankow hun klanken op de Lustgarten loslieten werden ze stil, of althans onhoorbaar.

Op het moment dat president Weizsäcker begon te spreken, sneden zij de stroomtoevoer af en begonnen eieren te gooien. Hoewel de president nog even een zwak gebaar maakte dat dit toch niet nodig moest zijn, vormden politiemannen met helmen en schilden een beschermende rij voor Weizsäcker, die hierdoor aan het oog werd onttrokken. In zijn rede, die hij enkele minuten later toch kon uitspreken, laste Von Weizsäcker enkele opmerkingen in over het gevaar van extreem-rechts èn links. Na hem greep onaangekondigd Ignaz Bubis, de leider van de joodse gemeente in Duitsland, de microfoon om onder luid applaus zijn afkeer van de ordeverstoorders te betuigen.

Politie op het podium, het straalde behalve kracht ook zwakte uit en de teleurstelling en frustratie onder de vreedzame demonstranten waren merkbaar. “Hoe is het toch mogelijk”, riep een man vertwijfeld, “dat zoiets moois moet eindigen met geweld?”

De betoging, bedoeld als signaal dat het molesteren van asielzoekers en het platbranden van opvangcentra door Duitsers wordt afgekeurd, was tot dan toe zo goed verlopen. Drie meisjes met fel gekleurd haar en een spandoek "de brandstichters zitten in Bonn' liepen vlak naast een groep oudere vrouwen die zich vasthielden aan hun CDU-vlaggen.

Pag 5: Ik woon liever in Soweto dan in Berlijn

Vier mannen in pak (“Dit is mijn eerste demonstratie, maar deze keer mag het, het is voor een goed doel.”) liepen naast twee routiniers die hun plakkaat met de kop van Fidel Castro weer tevoorschijn hadden gehaald.

De opkomst bij de betoging was onverwachts groot en heel Duitsland leek zich te scharen achter artikel 1 van de grondwet, het motto van de demonstratie: de waardigheid van de mens is onaantastbaar. Van de politieke partijen deed alleen de Beierse CSU niet mee. De coalitiepartner van bondskanselier Kohl heeft de betoging afgedaan als een loos gebaar. De partij vindt dat beter kan worden begonnen met de wijziging van de liberale Duitse asielwet. In de discussie hierover speelt het voortdurende geweld een steeds grotere rol.

Het afgelopen jaar telde de politie 1.800 gevallen van "rechts-radicaal' geweld, waarbij elf doden vielen. Dat is meer dan in de jaren 1931 en 1932 bij elkaar. Zulke historische vergelijkingen worden inmiddels dagelijks in Duitsland gemaakt. "Het is 5 voor 33', was er gisteren op een spandoek te lezen, een verwijzing naar het jaar waarin de nazi's aan de macht kwamen. Weizsäcker herinnerde in zijn rede aan het geweld tegen joden in de Kristallnacht, 9 november 1938. En de Berlijnse burgemeester Diepgen moest op de televisie de vraag beantwoorden of Duitsland afglijdt naar een nieuw "Weimar'.

In de stoet liepen ook Tshamano en Birgit Sebe mee, hoewel hun besluit vaststaat: zij emigreren. In Duitsland voelen zij zich niet meer veilig, en daarbij denken ze vooral aan hun kinderen. Hun vierjarige Thandi is, daarover kan geen twijfel bestaan, een schat van een dochter. Ze komt voortdurend tekeningen brengen, tijdens een ontmoeting eerder dit weekeinde in hun Westberlijnse flat, en ze straalt daarbij zo dat je niet weet waar te kijken: naar haar of naar haar werk. Toch is het dit dotje, vertelt haar moeder, dat in het park wordt beschimpt, dat te horen krijgt dat ze "zeker een adoptiegevalletje' is, dat niet te dicht bij de andere kinderen mag komen omdat ze "luis heeft'.

“Toen de muur viel was ik blij: nu zou ik lekker met de kinderen de stad uit kunnen en de natuur in. In de DDR stikt het van de meren. Maar ze keken naar Thandi alsof ze van de maan komt”, zegt Birgit Sebe. “Toen begon ook het schelden. Nu ga ik niet meer, want ze begint te begrijpen wat ze over haar zeggen.”

Tshamano kwam zeven jaar geleden uit Soweto en neemt daarnaar nu zijn gezin mee terug. Birgit is geboren en getogen Duitse, maar verzet zich niet tegen de verhuizing: “Ik voel me hier niet meer thuis. En in Zuid-Afrika gaat het steeds beter, dus wat heb ik te verliezen?”

Mee in de stoet liep ook Wilson Mpalweni. Hij woont sinds 1984 in West-Berlijn, maar het laatste jaar met steeds minder plezier. “Laatst was ik met een vriend in oost op weg naar een winkel. Kwamen er vier jongens achter ons lopen, die ons eraan herinnerden dat wij "illegaal' zijn, dat "het tijd wordt dat wij weer naar huis gaan', dat "Duitsland voor de Duitsers' is.” De winkel werd veilig gehaald, maar de vier jongens bleven voor het raam staan wachten, vertelt Mpalweni. Er kwamen omstanders kijken wat er aan de hand was, maar geen van hen stuurde de jongens weg. Pas een kwartier later konden de twee naar huis. “Een week later zag ik mijn vriend weer. Hij had een groot slot op zijn voordeur aangebracht.”

En mee liep gisteren ook Volker Ludwig. Hij is directeur van het Grips-kindertheater, dat in 1989 met veel succes de memoires van Inge Deutschkron op de planken bracht. Deze nu zeventigjarige joodse schrijfster overleefde de Tweede Wereldoorlog in Berlijn en keerde in verband met het theaterstuk vanuit Israel naar haar geboorteplaats terug. Sindsdien woont ze er weer, maar hoe lang nog? Een half jaar geleden kreeg ze haar eerste anonieme telefoontje, vertelt Ludwig. Daarna volgden de brieven. Auschwitz is een leugen, haar foto uit de krant beschilderd met een gele ster, dat soort boodschappen.

Ludwigs theatergroep heeft in Berlijn de reputatie dat ze de thema's voor de stukken van straat haalt. Eind jaren zestig werd begonnen met optredens over jongeren die in opstand kwamen tegen ouders en leraren, eind jaren zeventig werden het verhalen over jongeren die nergens meer het nut van inzagen, en nu gaat het over radicaal rechts.

“De atmosfeer in Duitsland is veranderd in een richting en in een tempo die ik niet voor mogelijk had gehouden. Een jaar geleden bezwoer ik tijdens een bezoek aan Israel nog dat al die angst voor een groot en sterk Duitsland ten onrechte was. Toen ik dit jaar ging was ik blij dat ze me er maar niet teveel meer over vroegen.”

Het eerste keerpunt voor Ludwig was de reactie op de aanhoudende aanslagen op asielzoekers. “De reactie in Duitsland was niet: wat een schande hier gaan we wat aan doen. Nee, het was: nu zie je wat er gebeurt als je te veel buitenlanders toelaat. Mijn vrienden en ik voelden ons zo hulpeloos dat we geen demonstratie durfden te organiseren. We waren bang dat er niemand zou komen opdagen.” Het tweede keerpunt was de brandstichting in de "Joodse barak' in het voormalige concentratiekamp Sachsenhausen, vorige maand. “Dit had niets meer te maken met "materiële' bezwaren tegen asielzoekers die "onze' woningen kregen toebedeeld, nu werden de acties ook ideologisch gemotiveerd. Daarmee wordt het echt gevaarlijk.”

Niet mee liep gisteren, onder anderen, de in Oost-Berlijn wonende ambtenaar Judka Bauer. Zij vindt dat “de autoriteiten zich eens moeten afvragen waarom de Oostduitsers zo op buitenlanders reageren. Omdat ze alles kwijt zijn behalve hun Duitse nationaliteit”, zegt zij zelf. “Veel mensen zijn hun baan kwijtgeraakt, en dromen van gouden bergen in het Westen kan ook niet meer. Verder kun je van de partij en de massaorganisaties zeggen wat je wilt, maar ze bonden mensen wel samen, al was het maar als onderwerp van spot. Die solidariteit is nu weg. Ervoor in de plaats is een ellebogen-maatschappij gekomen.” Het probleem is volgens haar niet zozeer de toestroom van asielzoekers, maar vooral de teleurstelling en het gebrek aan perspectief bij de voormalige DDR-burgers, die dat dan op de nog zwakkeren afreageren.

    • Hans Nijenhuis