ALEKSANDER DUBCEK (1921 - 1992); Symbool van het onhaalbare

PRAAG, 9 NOV. 1968 - de straten in de Westeuropese hoofdsteden zinderden van het studentenprotest, van ludieke acties, van gewelddadige confrontaties met de gevestigde macht, van kritiek op wat er was en van hoop op wat zou moeten komen. Het was de tijd van de studentenopstand in Parijs die zoveel beloofde, maar zo weinig verandering heeft gebracht. Het was ook het jaar waarin Aleksander Dubcek, een obscure Slowaakse apparatsjik in het Tsjechoslowaakse partijpresidium, tegen wil en dank werd gekozen als leider van de Tsjechoslowaakse communistische partij. Daarmee werd een periode ingeluid, later bekend geworden als de Praagse lente, die voor korte tijd de illusie wekte dat het toch nog iets zou kunnen worden met het communisme.

Korte tijd, niet langer dan acht maanden, heeft die illusie geduurd. Op 5 januari 1968 werd de toen 47 jaar oude Dubcek gekozen, op 21 augustus maakte een invasie van troepen van het Warschaupact een feitelijk einde aan zijn politieke carrière. Hij mocht als partijsecretaris nog aanblijven tot april 1969, toen dr. Gustáv Husák, aanvankelijk ook een voorstander van vernieuwing, hem opvolgde. Dubcek werd voor de vorm nog voorzitter van de Nationale Vergadering, maar in september verloor hij al zijn zetel in het partijpresidium. Een maand later moest hij ook zijn functie als parlementsvoorzitter opgeven en in januari 1970 werd hem zijn zetel in het Centrale Comité ontnomen. Daarna verdween Dubcek, na nog een half jaar als ambassadeur in Turkije te hebben gediend, in de anonimiteit. Hij was, beroofd van zijn partijlidmaatschap, een non-persoon geworden en stond onder voortdurende bewaking van de politie. Tot zijn pensionering in 1981 werkte hij in Bratislava als ondergeschikt ambtenaar bij Staatsbosbeheer, belast met het toezicht op bosbouwmachines.

Het einde van het communisme in Tsjechoslowakije, de Fluwelen Revolutie van eind 1989, heeft Dubcek niet de genoegdoening kunnen geven die hij ervan had verwacht. Niet hij, maar Václav Havel, de dissident van wie hij zich altijd had gedistantieerd, werd naar de Praagse burcht geroepen. Dubcek moest zich tevreden stellen met de functie van voorzitter van het federale parlement.

Totdat hij zich aansloot bij de Slowaakse sociaal-democratische partij beschouwde hij zichzelf als communist. Die late bekering heeft hem verhinderd om na de omwenteling nog te kunnen voortbouwen op de immense populariteit die hij zich als leider van de Praagse lente had verworven. Want Aleksander Dubcek, de gelovige communist die nooit het mensenrechtenhandvest Charta 77 heeft willen ondertekenen, was in de veranderde omstandigheden van 1990 al een man van het verleden geworden, een man die de idealen van 1968 bleef verdedigen in een tijd dat die volstrekt niet meer relevant waren.

Zijn voortijdige dood heeft verhinderd dat hij nog het presidentschap van de nieuwe onafhankelijke Slowaakse staat had kunnen vervullen, in welke functie hij een kalmerende invloed op de betrekkingen met Praag had kunnen uitoefenen.

Hoe kortstondig, tragisch en navrant de politieke carrière van Dubcek ook geweest moge zijn, hij zal waarschijnlijk in de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis voortleven als de enige communistische leider die ooit werkelijk geliefd bij zijn volk is geweest. De man met de weemoedige gelaatsuitdrukking, de eeuwige vage glimlach om de lippen, de onzekere lichaamsbewegingen, boezemde een mengsel van sympathie en medelijden in dat mensen ertoe bracht hem hun rotsvaste vertrouwen te schenken. Toen hij in 1968 aankondigde dat de goudvoorraad vergroot moest worden om de munt convertibel te kunnen maken, leverden honderden mensen hun sieraden in.

Dubcek werd geboren op 27 november 1921 in het Westslowaakse plaatsje Uhrovec. Zijn ouders waren overtuigde communisten, maar lieten hun (tweede) zoon wel dopen in de Evangelische kerk. Toen hij vier jaar oud was verhuisden zijn ouders naar de Sovjet-Unie, waar zij deel uitmaakten van een groep van zo'n driehonderd Slowaken die vrijwillig gingen werken aan de opbouw van het “eerste land van het socialisme”. Het was de tijd dat overtuigde communisten, blind voor de gruwelen van de stalinistische terreur, hun idealen tegen beter weten in bleven najagen. Het was de tijd waarin Dubcek werd gevormd, werd opgeleid tot machinebankwerker en waarin hij mogelijk het idee heeft ontwikkeld dat er een beter communisme mogelijk zou zijn dan het stalinistische. Dertien jaar bleef hij er.

Na terugkeer in Tsjechoslowakije sloot hij zich in 1939 aan bij de illegale communistische partij. In het Slowaakse verzet raakte hij tweemaal gewond en na de oorlog werkte hij zich geleidelijk op in het partij-apparaat, studeerde van 1955-'58 aan de Hogere Partijschool in Moskou, en werd in 1963 partijleider van Slowakije.

Toen in januari 1968 de positie van de stalinistische partijleider Antonn Novotný onhoudbaar was geworden viel de keus op Dubcek omdat de hervormingsgezinde en conservatieve leden van het partijpresidium het over niemand anders eens konden worden. Met zijn smetteloze partijverleden gold hij als een eerlijk communist die bij verschillende gelegenheden Novotný had gekritiseerd en in elk geval niet wars van hervormingen was.

“Socialisme met een menselijk gezicht” was het stempel dat Dubcek het Tsjechoslowaakse communisme wilde meegeven. Maar het actieprogramma dat hij daarvoor ontwierp, liet zolang op zich wachten dat de vernieuwingsdrang onder communistische intellectuelen, die het jaar daarvoor op het Schrijverscongres tot uiting was gekomen, al was geëxplodeerd voordat er een ideologisch kader voor was geschapen. In de eerste maanden van 1968 werd een aantal communistische machtsposities en dogma's afgebroken. Dat kon alleen maar opperste nervositeit veroorzaken in Moskou, Oost-Berlijn en Warschau: de censuur werd vrijwel afgeschaft, slachtoffers van de zuiveringen uit de jaren vijftig werden gerehabiliteerd en de “Club van geëngageerde partijlozen” (KAN), die pleitte voor medezeggenschap van niet-communisten, werd opgericht.

Het actieprogramma pleitte er onder meer voor dat de partij voortaan democratische spelregels in acht zou nemen en het recht van vergadering en van vrije meningsuiting zou garanderen. De burgers moesten worden beschermd tegen activiteiten van de geheime politie, ze moesten vrij kunnen reizen en buitenlandse lectuur moest in grotere hoeveelheden beschikbaar zijn.

Dubceks grote fout is geweest dat hij zich in 1968 heeft laten betoveren door de populariteit van dat programma en de weerstand tegen zijn hervormingspolitiek in de “broederlanden” schromelijk heeft onderschat. Hoewel er al in een vroeg stadium tekenen waren geweest dat die landen de ontwikkelingen in Tsjechoslowakije niet op hun beloop konden laten, kwam de militaire interventie in de nacht van 20 op 21 augustus voor Dubcek en zijn medestanders als een volslagen verrassing. Dat zegt veel over de roes waarin de Tsjechoslowaakse partijleiding toen moet hebben verkeerd.

Dubcek heeft later altijd ontkend dat die leiding destijds naïef is geweest. “We wisten wat we wilden. We begrepen dat het een nieuwe tijd was, met nieuwe omstandigheden en dat er een nieuwe manier nodig was om met problemen om te gaan”, zei hij eens in een van de schaarse vraaggesprekken die hij heeft gegeven. “Maar de invasie had niet vermeden kunnen worden omdat die buiten onze controle lag.”

Dubcek was een dromer, die zijn beslissingen meer door idealen dan door de realiteit liet bepalen. Maar daardoor is hij nooit meer geworden dan het schrijnende symbool van het onhaalbare.