Actieve subsidiariteit

In zijn bericht over het Kamerdebat over Maastricht "De Tweede Kamer kiest het model black monday-plus' (NRC Handelsblad, 7 november) legt redacteur Rob Meines mij in de mond dat “subsidiariteit vooral gebruikt moet worden om te bepalen wat wèl door Brussel kan worden afgehandeld”. Van die opstelling zegt het bericht dat “Premier Lubbers dat eerder al actieve subsidiariteit noemde”.

Noch het een, noch het ander is correct. "Subsidiariteit' is het jargon voor “alleen datgene moet op EG-niveau worden geregeld wat, qua omvang of gevolgen van het probleem, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt”, zoals artikel 3b van het Verdrag van Maastricht het zegt. Het is een criterium dat zowel aangeeft wat niet op EG-niveau moet (cultuur, onderwijs en volksgezondheid bijvoorbeeld), als wat daar typisch wel thuishoort (zoals het totstandbrengen van een gemeenschappelijke markt en grensoverschrijdende milieuvervuiling).

Met de term "actieve subsidiariteit' debuteerde de minister-president in de Kamer tijdens de jongste Algemene Beschouwingen. Hij bedoelt daarmee het tegeovergestelde van wat in het bericht stond, en wel het volgende: Als de EG-Raad van ministers beraadslaagt over de vraag of een bepaald beleid al dan niet op EG-niveau moet worden verwezenlijkt, en de ministers komen tot de conclusie dat de lidstaten dat beter zelf kunnen doen, dan is het ook de plicht van de lidstaten om het te doen. Met als sanctie dat de EG het anders overneemt.

Gelukkig is het debat over “wat wel, wat niet aan de EG overlaten” aan de hand van het begrip subsidiariteit opgebloeid.

    • Erik Jurgens