Zie ook onder Lenin

Hanover, Indiana - Wie of wat was Lenin? Reagerend op de Amerikaanse uitspraak van het woord Lenin, antwoordt een jongeman met stekeltjeshaar: “Was dat niet een Beatle?” Een medestudent is warmer: “Volgens mij was het een monarch in de Sovjet-Unie”.

Deze week heb ik een kleine proef gedaan. Ik moest iedere dag een paar uur praten voor undergraduate studenten aan een ernstig liberal arts college in Hanover, Indiana. Dat bood gelegenheid na te gaan hoe het tegenwoordig gesteld is met hun algemene ontwikkeling. Voor Amerikanen is dat een prangende vraag sinds Allan Bloom in 1987 slag leverde met de critici van zijn boek The closing of the American Mind - how higher education has failed democracy and impoverished the souls of today's students.

Bloom verweet de Amerikaanse universiteiten indertijd verslonzing van hun belangrijkste taak: het kweken van liefde voor wijsheid. Het in de zelfde tijd verschenen boek Cultural Literacy, What every American needs to know van E.D. Hirsch jr. is over het algemeen opgevat als een praktische toepassing van Blooms breed opgezette tirade. Door het onderwijs eenzijdig te richten op het aanleren van vaardigheden ten koste van vakken gericht op het overdragen van een "geletterde cultuur' (geschiedenis, mythologie, literatuur) was in Amerika volgens Hirsch “een vergissing van monumentale proporties” gemaakt. Zijn remedie: het samenstellen van een lijst met verplichte kennis voor iedereen die enigszins wil meepraten.

Anders dan hem wel is verweten, pretendeerde Hirsch niet dat bezitters van deze feitenkennis automatisch algemeen ontwikkeld zouden zijn. In de inleiding van zijn in 1988 verschenen Dictionary of Cultural Literacy zegt hij: “Cultureel alfabetisme is ondiep; echte educatie is diep. Maar onze analyse van lezen en leren geeft ons aanleiding tot de paradoxale veronderstelling dat brede, ondiepe kennis de beste weg is naar diepe kennis”.

Puttend uit de staalkaart van Hirsch heb ik ieder uur op Hanover College afgesloten met het vragen van een korte definitie van begrippen uit de hoofdstukken "wereldpolitiek' en "wereldgeschiedenis na 1850'. De meeste studenten (tussen 18 en 22 jaar) waren blij verrast, respectievelijk verbijsterd dat er zo veel te weten viel. De rondvraag leverde vrolijke definities op. Zoals de veertiende eeuwse Franse keizer Lodewijk XIV, Nationalistisch China: het gebied rondom Peking. Florence Nightingale: de eerste Engelse verpleegster (niet helemaal fout). Nehru: één of andere figuur uit het Midden-Oosten. Karl Marx: een leider in Rusland.

Min of meer goede antwoorden kwamen op de trefwoorden: Mussolini, Nasser, Oktober Revolutie, white man's burden, decadentie, conservatisme (“wat de Republikeinen willen”), kapitalisme, doodstraf en chauvinisme.

Volkomen blanco bleef de klas daarentegen bij: de processen van Neurenberg, Eva Peron, Luftwaffe, De Lange Mars, Mein Kampf, kolonialisme, coup d'état, despotisme, demagoog, draconisch, Knesseth, Bundestag, brinkmanship en boat people. De Maginot Linie kwam tussen de twee wereldoorlogen terecht.

Directe aanleiding om dit spelletje te spelen is de publikatie over tien dagen van de Nederlandse versie van dit basisboek van de beschaving. Onder redactie van Dolph Kohnstamm en Elly Cassée verschijnt dan bij Anthos Het Cultureel Woordenboek - encyclopedie van de algemene ontwikkeling. Het Amerikaanse voorbeeld uit 1988 is vooral op het onderwijs zelf gericht. Het Cultureel Woordenboek, van en voor Nederlanders, mikt volgens de samenstellers meer op leraren dan op leerlingen. En bovendien op ouders en vakspecialisten die hun notie van andermans vak willen toetsen of op peil brengen.

Goedmoedig voegen de redacteuren er aan toe dat zij hebben gemerkt dat het boek ook een goede geheugensteun kan zijn en veel in herinnering terugroept voor wie ouder wordt. “Het mooie daarbij is dat met weinig woorden veel meer - want ook beelden, melodieën, gevoelens - in ons geheugen geactiveerd kan worden.”

Het Nederlandse boek is niet door drie auteurs bij elkaar geschreven, zoals het Amerikaanse voorbeeld, maar door een kleine veertig. De omnivoor F. Bolkestein neemt "wereldpolitiek' voor zijn rekening. De burgemeester van Leiden doet "mythologie'. Bekende en minder bekende medewerkers garanderen zo te zien een vrij hoog niveau van deskundigheid. Hun afspraak was dat zij zich zouden richten op het gebied tussen lagere school- en specialistische kennis. Levende beroemdheden zouden nog even moeten wachten op vermelding; bij de juristen heeft de auteur (Enschedé) zich daar strikt aan gehouden, bij de kunsten duiken Karel Appel en Anne-Wil Blankers toch al op.

Alleen Zweden (1991) is Nederland voorgegaan met een eigen versie van dit in Amerika bedachte monsterproject. In hun inleiding gaan Kohnstamm en Cassée niet in op de rel die Hirsch over zich heeft afgeroepen. Zij geven op een prettige, niet zware manier aan waar het Cultureel Woordenboek wel en niet goed voor kan zijn. Eigenlijk is het een poging alsnog het boek samen te stellen dat Karel van het Reve in zijn onvergetelijke essay Zie ook onder Mozes (1988) aan zijn weetgierige maar onontwikkelde studente Karin opdraagt.

Wat de redacteuren wijselijk onvermeld laten is dat Van het Reve niet zo veel zag in zo'n boek, zeker niet als het zich ten doel stelde de kennis- en begripskloof tussen alfa's en bèta's te overbruggen: “Wie met alle geweld iets wil ondernemen om de ondergang der beschaving uit te stellen kan misschien nog het beste streven naar een net van gratis toegankelijke scholen, met kleine klassen, waar door ter zake kundigen lezen, schrijven en rekenen wordt onderwezen, en later Frans, Duits, Engels, wiskunde en natuurkunde. En vooral geen vakken waarin je woorden als communicatie, maatschappij, informatie en identiteit tegenkomt”.

Toch zou het handig zijn Nederlandse studenten, die het - net als Amerikaanse college-studenten - met vier jaar kennis vergaren moeten doen, regelmatig een paar lemma's uit het nieuwe woordenboek te overhoren. Dat zou een meetbare minimum-inhoud geven aan het begrip doctorandus.

Het heeft grote voordelen wanneer iedereen de zelfde basiskennis heeft meegekregen, schreef Hirsch al. Dan kunnen grootouders en kleinkinderen, zwarten en blanken, Republikeinen en Democraten met elkaar van gedachte wisselen. Het enige nadeel noemde hij erbij: het vereist een zeker cultureel conservatisme. Het is de vraag of dat politiek correct wordt bevonden. Zie ook onder Heldring.