Werkende moeders regelen en rennen zich suf; "Op mijn werk kijk ik jaloers naar mensen die full-time werken'

Steeds meer vrouwen blijven werken, nadat ze een kind hebben gekregen. Mannen helpen meer in het huishouden, maar de zorg voor kinderen is nog steeds vooral een taak van de moeder.

HAARLEM, 7 NOV. Met grote slaapogen kijkt Erne haar moeder aan. Ze is net wakker geworden uit haar middagslaap. Haar broertje Zeno komt op blote voeten de slaapkamer binnenrennen. “Stouterd, stouterd”, roept hij terwijl hij wild naar zijn zusje zwaait. “Kom op jongens, aankleden. We moeten over een half uur bij de kapper zijn”, maant Benedikt van der Hoeven haar kinderen.

“Het is wel een geren hoor”, zucht de jonge moeder. “Zeker op de dagen dat ik werk weet ik niet hoe snel ik alles aan elkaar moet breien. Om kwart voor vijf vrij, naar de trein hollen om de oppas af te lossen, eten koken, kinderen voeden, verhaaltje en naar bed. Tijd om mijn post open te maken of de krant te lezen heb ik niet als ik thuiskom.”

Ze werkt 26 uur per week bij de artistieke staf van het Nationaal Ballet. Haar partner heeft een full-time-baan als organisatie-adviseur. “Zonder kinderen zou ik niet gelukkig zijn”, zegt zij. “Maar de verdeling van de kinderzorg is een eeuwige strijd.” Ze behoort tot de groeiende groep vrouwen die moederschap en beroepsarbeid combineren. Volgens een FNV-enquête onder ruim zeshonderd werkende ouders die vorig jaar een kind kregen, blijven vier van de vijf vrouwen na de geboorte van hun kind werken. Wel brengen de meeste moderne moeders de werkweek terug tot één à drie dagen. Slechts twaalf procent blijft full-time werken. De resultaten van het onderzoek van FNV Magazine en het FNV Vrouwensecretariaat staan in het rapport "Werken en kinderen krijgen' dat vandaag op de manifestatie "De gedeelde tijd' in Den Haag wordt gepresenteerd. Bij de uitslag van het onderzoek moet worden aangetekend dat de aan de enquête deelnemende bedrijven en organisaties relatief vaak een specifiek beleid voeren ten aanzien van ouders, en in het bijzonder moeders.

De toename van het aantal buitenshuis werkende moeders is in Nederland op gang gekomen vanaf de tweede helft van de jaren vijftig, zo blijkt uit het onlangs verschenen proefschrift Mijn kinderen hebben er niets van gemerkt van de historica Marjolein Morée. Nederland was hiermee laat in vergelijking tot omringende gendustrialiseerde landen en de Verenigde Staten. In 1975 werkte inmiddels 12,5 procent van de moeders met kinderen onder de vier jaar, in 1988 was dit opgelopen tot 27 procent en in 1990 werkte 36 procent.

Ook de arbeidsparticipatie van vrouwen in het algemeen is de laatste jaren gestegen. In 1975 had 32 procent van de vrouwen een betaalde baan, in 1991 lag dit op 55,5 procent. Dit blijkt uit de enquête Beroepsbevolking van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Wel zijn vrouwen oververtegenwoordigd in zwakkere sectoren van de arbeidsmarkt en in beroepen op de lagere functieniveaus. Dat is een van de redenen waarom driekwart van de moeders, meestal de minder verdienende partner, part-time gaat werken na de geboorte van haar kind.

Toch spreekt de FNV-vakcentrale van een "babykamer-revolutie': vrouwen blijven vaker dan vroeger bij hun baas, mannen zijn vaker bij hun kind. De helft van de ondervraagde jonge vaders zegt na de geboorte van hun kind minder te willen werken en tien procent doet dit ook echt. Maar de zorg voor snotneuzen en poepluiers blijft vooral een taak van de moeder: driekwart van de werkende vrouwen zegt meer of veel meer te doen aan de kinderzorg dan hun partner en 85 procent van de mannen beaamt dit.

Anneke Smid, moeder van de nu achtjarige Erwin, heeft een halve baan als cursusleider voor ondernemingsraden. Haar vriend werkt full-time bij een vakbond. Het huishouden hebben ze gelijk verdeeld, maar de zorg voor hun zoon ligt bij haar. “Henks afspraak was: een kind ok, maar ik blijf werken. En ik dacht: dat red ik wel. Maar ik had me niet gerealiseerd dat een kind zoveel werk is.” Vooral het regelen van opvang vergt veel organisatie. “Op mijn werk kijk ik jaloers naar mensen die full-time werken, terwijl ik mijn baan tussen schooltijden prop.”

Onlangs raakte ze overspannen en moest een maand stoppen met werken. “Deels kwam dat door al het regelen en rennen. Voortdurend wordt er een wisselend beroep om me gedaan, als moeder en als werknemer. Dat is vermoeiend en ik kom niet meer aan mezelf toe.” Deze week is ze weer gaan werken. Ze heeft zich voorgenomen in haar baan minder ambitieus te zijn en ook daarbuiten duidelijker haar grenzen te stellen. “De combinatie kind en baan is niet alleen maar negatief”, zegt ze lachend. “Erwin vraagt wel eens: als je moet kiezen tussen je werk en mij, wat zou je dan doen? Dan antwoord ik toch: ik kies voor beide.”

Ook als ouders afspreken de taken gelijk te verdelen, blijkt de moeder meer zorg op zich te nemen. Inge van der Woude en Paul Dijkstra hebben de zorg voor hun dochters Els (8) en Roos (5) verdeeld. Hij brengt hen iedere dag naar school. Zij haalt haar dochters 's maandags en vrijdags na schooltijd, hij donderdags. Twee keer per week komt de oppas. Taken als hun dochters naar bed brengen, doen ze om en om. En als ze ziek zijn, neemt hij vaker vrij dan zij. “Toch zorg ik meer voor de kinderen”, zegt Inge van der Woude. “Ik leg bijvoorbeeld schone kleren klaar en zeg dat ze hun haar moeten kammen. Eigenlijk zou ik dat niet moeten doen, maar Paul heeft daar minder oog voor.”

De dubbele belasting van werk en kinderzorg vinden ze geen van beiden zwaar. “Als je die keuze eenmaal hebt gemaakt, dan loopt het gewoon”, zegt hij. “Vervelend is wel dat ze op mijn werk niet begrijpen waarom ik niet full-time beschikbaar ben.” Zij merkt dat ze weinig energie overhoudt voor sociale contacten. “Mijn tijd is altijd volgepland. Als vrouw ben je toch meer aan het regelen. Ik vergeet bijvoorbeeld nooit het boodschappenlijstje, Paul wel. Gelukkig wonen we dicht bij de stationsrestauratie.”

Toen haar dochters kleiner waren, bekroop haar wel eens een schuldgevoel als ze niet bij haar kinderen was. “Aan het eind van de middag dacht ik vaak "als ik nu even doorwerk, kan ik een uurtje eerder naar de crèche'.” Haar partner heeft dat schuldgevoel niet gehad. “Als ik Els en Roos bij de crèche afzette, dacht ik: Zij hebben hebben vandaag vast meer plezier dan ik op mijn werk.”

Het gevoel er niet genoeg te zijn voor de kinderen is werkende vrouwen niet vreemd, zo blijkt uit Mijn kinderen hebben er niets van gemerkt. De titel van het proefschrift is een typerende uitspraak van werkende moeders in de jaren vijftig. Sindsdien is er wel iets veranderd. Moesten de enkele werkende moeders zich veertig jaar geleden voortdurend verantwoorden voor hun keuze om buitenshuis te werken (“we kunnen het geld zo goed gebruiken”), nu is de moederplicht minder nauw omschreven en wordt het recht van vrouwen op werk erkend. Maar er zijn nog onvoldoende voorwaarden om van dat recht gebruik te maken, stelt Morée, zodat zorgtaken toch vaak op de schouders van de moeder terechtkomen.

Karin Adelmund, de vice-voorzitter van het FNV, zal vandaag bij de presentatie van het rapport 'Werken en kinderen krijgen' maatregelen voorstellen die de combinatie baan en kinderen moeten verbeteren, zoals betere kinderopvang, flexibele werktijden, arbeidtijdsverkorting en meer deeltijdwerk.

“Welke maatregelen je ook voorstelt, gelijke verdeling van werk en zorg is voorlopig een utopie”, voorspelt Benedikt van der Hoeven. “Misschien mogen mijn kleinkinderen dat nog meemaken.” Zelf heeft ze er voor moeten vechten om parttime te mogen werken. “En als de oppas ziek is, verbiedt mijn baas me roostervrije dagen op te nemen. Soms denk ik erover te stoppen met werken.”

Ook Anneke Smid heeft, toen haar zoon kleiner was, overwogen haar baan op te geven. “Als ik weer eens vlak voor mijn werk wanhopig op zoek was naar een oppas, dacht ik: je moet wel een supertante zijn om dit te kunnen combineren'. Op de een of andere manier lukt het toch altijd om er een mouw aan te passen, maar het kost veel energie en zenuwen.”