Verzet

In de rubriek "Brieven' in het Zaterdags Bijvoegsel van 24 oktober reageert Floris Bakels nogal zonderling op mijn observatie dat gelovigen in oorlogsomstandigheden eerder tot verraad geneigd zijn.

""De gelovige mensen waren mentaal het zwakst, ze waren in staat je te verraden - wat ik ze niet kwalijk neem'', zei ik letterlijk in het interview van Frits Abrahams ("De bittere erfenis van de oorlog', NRC Handelsblad van 3 oktober). De goede lezer zal begrepen hebben dat het citaat rechtstreeks betrekking heeft op de er aan voorafgaande beschrijving van de straf- of dodenbunker in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort (PDA) en dat mijn opmerking betrekking had op de in de bunker aanwezige gelovigen.

Niettemin vindt Bakels het nodig zijn diametraal tegenovergestelde ervaringen met gelovigen in kampen in Duitsland en het PDA tegenover mijn ervaringen in de bunker te stellen, waarin ik tweeënhalve maand gevangen zat. De briefschrijver kwalificeert deze ervaringen als "leugen'. Teneinde mijn verblijf en dat van anderen in de bunker te kleineren, somt hij het aantal Duitse concentratiekampen op waarin hij zelf in totaal drie jaar verbleef. Vervolgens beweert hij dat het PDA ""een van de minst gevaarlijke concentratiekampen'' was en verwijt hij mij ""ontstellend gemene insinuaties''.

Ik op mijn beurt vind het weinig kies om de duur en het aantal verblijven in een kamp tot inzet van een banale competitie te maken; aan dit soort smakeloosheden doe ik niet mee.

Wel wil ik Bakels nog eens wijzen op de context waaruit hij het citaat welbewust heeft losgemaakt. Mijn observaties en een juiste interpretatie daarvan hangen nauw samen met de sfeer die in de bunker heerste. Opgesloten in het volslagen donker, met ijzeren boeien en kettingen aan de muur geklonken, niet rechtop kunnen staan of in gestrekte houding liggen en onderworpen aan een slopend hongerdieet, werden de gevangenen in de bunker teruggeworpen op het naakte bestaan. Bovendien waren ze overgeleverd aan de willekeur van wrede, veelal dronken SS-beulen. Het recht om over die omstandigheden te oordelen lijkt mij primair voorbehouden aan de mensen die daartoe veroordeeld waren; zoals het Bakels' goed recht is over zijn ervaringen in de kampen te spreken.

In deze omstandigheden ontdekte je de mens in zijn meest elementaire staat, ontdaan van elke beschaving en van elk normbesef. Een lege maag kent geen sociale wet, en honger geen moraal. Hier heerste de wet van de natuur, waarin niet de geest maar het lichaam een wanhopige overlevingsstrijd voerde, waardoor je bij elkaar naar binnen keek.

Bakels moet toch kunnen begrijpen dat ik me met mijn uitspraken niet tegen gelovige mensen in het algemeen keer, maar doel op de mentale zwakte van gelovigen onder deze extreme condities. Normale verhoudingen gingen verloren; genuanceerde, ideologische en sociale onderscheidingen maakten plaats voor redeloze irritaties en onverdraagzaamheid. De gelovigen in de bunker voelden zich verheven boven hun lotgenoten die niet geloofden. Met name tegenover Gerrit Dekker, een Amsterdamse inbreker die van god noch gebod wilde weten, was hun houding er een van: "Dank o Heer, dat ik niet ben als hij'.

Stuitend voor de ter dood veroordeelde Louis Schrander en mij, beiden socialist, waren de hel en verdoemenis die de gelovigen over ons afriepen. En zodra ze vermoedden dat ik mijn vlucht uit de bunker aan het voorbereiden was, dreigden ze mij aan te geven bij de gevreesde Bunkerführer Max Ritter: een geslaagde vluchtpoging kwam achtergebleven gevangenen namelijk op twee dagen inhouding van eten te staan. Met andere woorden: dreigen met verraad.

Ik heb dit gedrag van de gelovige gevangenen niet willen veroordelen, maar slechts willen signaleren als een ecce homo. Dat Bakels tenslotte in één adem met zijn gratuite aanval op mij de interviewer Frits Abrahams nog een trap na geeft, tekent de smakeloosheid van zijn reactie des te meer.

Ook dominee J. Slomp heeft zich blijkens zijn brief in Z van 24 oktober gestoten aan mijn opmerking over de gelovigen en stelt de retorische vraag of gelovigen als zodanig potentiële verraders waren. Evenals Bakels kan Slomp de verleiding niet weerstaan om zijn terechte ontkenning van die vraag te adstrueren met in dit verband, alweer, irrelevante getallen, die hij haalt uit "Het Koninkrijk' van L. de Jong. Nogmaals: hier is geen sprake van generalisaties mijnerzijds. Andersom doet Slomp met het aanhalen van De Jongs statistiek wel een poging gelovigen die deel uitmaakten van de L.O. en L.K.P. te generaliseren als "goede' gelovigen.

Paul Koedijk verwijt mij in zijn brief in dezelfde rubriek dat ik mijn zware beschuldigingen aan het adres van Dick van Veen, die ik een ordinaire verrader noem, niet nader toelicht, behalve het noemen van de naam Evert van Voorthuizen, die Koedijk omschrijft als ""het mogelijke slachtoffer'' van Van Veen. De bewijzen dat Van Voorthuizen op aanwijzing van Van Veen door de Sicherheitsdienst werd gearresteerd en pas maanden na de bevrijding als een wrak uit het concentratiekamp Dachau in Nederland terugkeerde, zijn in mijn bezit. Ik heb Koedijk, die mij jaren geleden enkele malen thuis bezocht in verband met een door hem en Gerard Mulder te schrijven biografie over Van Randwijck, bij deze gelegenheid verteld dat ik over die bewijzen beschikte. Helaas kon ik ze hem toen niet tonen omdat ze in mijn archief waren zoekgeraakt. Koedijks verwijten aan mijn adres berusten derhalve op zijn onvolledige kennis van deze gecompliceerde zaak.

Koedijk, die mij in zijn brief verwijt over onvoldoende bewijzen te beschikken voor mijn beschuldigingen, baseert zijn ernstige twijfels echter op de lezing van Van Veen, met wie hij de laatste jaren bevriend was. Ik neem het hem niet kwalijk dat hij aan de plausibiliteit daarvan geloof hecht. Wanneer Koedijk alsnog van deze in mijn bezit zijnde dossierstukken kennisneemt, zal hij stellig tot een ander oordeel komen.

De kop boven het interview luidt: "De bittere erfenis van de oorlog'. Briefschrijver Slomp suggereert de lezer op grond van die titel dat het in mijn geval wel eens om een verbitterde oud-verzetsman zou kunnen gaan. Verbitterd ben ik allerminst. Haat- of wraakgevoelens zijn mij vreemd. Alleen verdraag ik het nog altijd niet wanneer de waarheid geweld wordt aangedaan.