UITGEKOOKTE LIMBURGERS

De Medische Faculteit Maastricht. Een nieuwe universiteit in een herstructureringsgebied, 1969-1984 door Peter Jan Knegtmans 263 blz., geïll., Van Gorcum 1992, f 49,-- ISBN 90 232 2714 X

Natuurlijk had de medische faculteit van Maastricht, in 1975, best ergens anders terecht kunnen komen. Sterker nog, er waren meer redenen om haar niet, dan om haar wel in Zuid-Limburg te vestigen, en die werden door de tegenstanders van deze "politieke faculteit' dan ook breed uitgemeten. Zo was er van een omringende wetenschappelijke infrastructuur in Maastricht geen sprake. Alles zou er van de grond af aan moeten worden opgebouwd. Een tekort dus. Aan de andere kant dreigde er een teveel: aan ziekenhuisvoorzieningen. De regio zat niet bepaald verlegen om weer een nieuw ziekenhuis, academisch of niet. Toch zou dat er, in het kielzog van een faculteit, moeten komen.

Het lag dus voor de hand dat de commissie die in 1968 de toenmalige minister van onderwijs Veringa moest adviseren over de vestigingsplaats van een achtste medische faculteit, aan andere kandidaten de voorkeur zou geven. De zaak zelf was toen nog niet omstreden. Uitbreiding van de opleidingscapaciteit van artsen werd met het oog op de bevolkingstoename als een must beschouwd, zelfs na de opening van een zevende medische faculteit in Rotterdam, drie jaar eerder. En aan animo bij studenten was geen gebrek, want weinig studies waren zo in tel als juist geneeskunde.

Als sterk alternatief voor Maastricht gold Twente. Het leek een goede gedachte om een nieuwe medische opleiding, gezien de ontwikkelingen in de wetenschap, aansluiting te geven bij een technische instelling. Dat vond althans de ambtelijke top van het ministerie van onderwijs. Om diezelfde reden gooide Eindhoven hoge ogen. Ook Tilburg lag aanvankelijk goed in de markt, deels vanwege een verwant, maar omgekeerd argument. Daar zou weer beter aansluiting gevonden worden met de maatschappijwetenschappen.

De adviescommissie kwam er niet uit. Een minderheid stemde voor Maastricht, de overgrote meerderheid daarentegen zag de faculteit uitsluitend gedijen onder de rokken van een bestaande instelling. Over de vraag welke dat moest zijn was men echter verdeeld. En precies daar school de kans voor de Limburgers om toe te slaan.

Dat ze dat met verve deden blijk uit een recente publikatie over de geschiedenis van de Medische Faculteit Maastricht van de hand van dr. P.J. Knegtmans. Een flink deel van het boek is gewijd aan de ingenieuze lobby's die de Limburgers in Den Haag op touw wisten te zetten, met als uiteindelijk doel: niet slechts een faculteit, maar een hele universiteit.

REIGERDANS

Dat is ze dus gelukt, want op het moment dat Knegtmans zijn naspeuringen laat beëindigen, in 1984, kende de Rijksuniversiteit Limburg naast de medische al drie andere faculteiten, en de groei was toen nog allerminst ten einde. Toch is het teveel eer - of te weinig, vanuit het perspectief van Den Haag - om de stichting van de universiteit louter toe te schrijven aan de manoeuvres van uitgekookte zuiderlingen met de juiste politieke connecties.

Limburg had wel degelijk een probleem. De door minister Den Uyl afgekondigde mijnsluitingen hadden diepe gaten geslagen in de provinciale werkgelegenheid, en van de beloofde compensatie was nog bitter weinig terecht gekomen. Een instelling van wetenschappelijk onderwijs zou de economische ontwikkeling kunnen aanjagen. En dat niet alleen, zij zou ook de educatieve achterstand kunnen opheffen. Waar elders het hoger onderwijs vooral studenten uit de omringende regio trok (en trekt) was dat in Limburg onmogelijk. Het ontbrak er gewoonweg aan instellingen. Het gevolg was een geringere deelname van schoolverlaters aan het hoger onderwijs dan in de rest van het land. Een betere spreiding van de voorzieningen was dus geboden.

Aanvankelijk had men het politieke tij mee. Zelfs het katholiekste deel van het katholieke zuiden raakte in religieus opzicht in de jaren zestig op drift. En waar de kerk haar gezag verloor, verdween in een moeite door de vanzelfsprekendheid om haar politieke spreekbuis, de KVP te steunen. Daarmee was, zoals een Kamerlid van de PvdA het uitdrukte, Limburg geopend als politiek jachtterrein. Het gevolg was een reigerdans tussen de twee partijen die om het hardst hun sociale gezicht wilden tonen. Knegtmans laat exact zien op welk moment die dans in dit geval inzette. Dat was toen de intern verdeelde PvdA-Kamerfractie, na door fractieleider Den Uyl tot de orde te zijn geroepen, besloot tot steun voor Maastricht als vestigingsplaats voor "de achtste'. Drijvende kracht achter dat besluit was het Limburgse politieke zwaargewicht en ex-partijvoorzitter dr. J. Tans, die de voorstanders van Twente en Brabant in de fractie ervan wist te doordringen dat Limburg vooral op politieke (electorale) gronden de prijs in de wacht zou moeten slepen. Zakelijke argumenten, erkende Tans, wezen niet ondubbelzinnig in die richting.

Toen de PvdA eenmaal door de bocht was kon KVP-minister Veringa niet achterblijven, en even later gold hetzelfde voor zijn partij. Die had tot het laatst toe getwijfeld; binnen de KVP bestond een sterke pro-Brabantse stroming.

ANGST VOOR AFSTEL

De teerling was nu (1969) wel geworpen, maar gerust op een goede afloop was men in Limburg allerminst. En terecht. Al snel bleek dat de prognoses van de bevolkingsgroei en de daaraan gekoppelde toekomstige artsenbehoefte wat al te optimistisch waren geweest. Veringa had nog in navolging van zijn adviescommissie "naar boven gegokt', maar elke nieuwe raming kwam lager uit. Bovendien brak het tijdperk van bezuinigingen aan, en wat was er makkelijker dan een vooralsnog louter papieren begrotingspost te schrappen? In ambtelijke kringen in Den Haag werd dat dan ook doodleuk gesuggereerd. Wat volgde was een taai gevecht waarin de Limburgers alles uit de kast haalden om politiek Den Haag aan zijn beloftes te houden. De beschrijving daarvan levert de boeiendste stukken in het boek van Knegtmans op; in de tweede helft verliest hij zich enigszins in al te gedetailleerde overzichten van facultaire onderwijs- en onderzoeksprogramma's.

In een bepaald opzicht mag deze geschiedschrijving ontluisterend heten. Datgene waarmee "Maastricht' zich al jarenlang op de borst slaat, het unieke probleemgestuurde onderwijssysteem en de meer dan gemiddelde aandacht voor de eerstelijns gezondheidszorg, blijkt als concept pas in 1972 van stal te zijn gehaald om het project van een nieuwe rechtvaardiging te voorzien. Tot dat moment onderscheidden de plannen zich nauwelijks van de beproefde voorbeelden elders. Angst voor uitstel en wellicht afstel leidde de initiatiefnemers op het pad van de onderwijsvernieuwing. Maar zelfs een gelegenheidsargument blijkt succesvol te kunnen zijn, want sindsdien heeft het Maastrichtse curriculum vele opleidingen elders in de wereld tot voorbeeld gestrekt. Minder voorspoedig verliep het die andere maxime, die een grondige wijziging van de structuur in de regionale gezondheidszorg en een grotere rol voor de eerste lijn beoogde. De tegenstand kwam hier van twee kanten. De gevestigde belangen van instellingen en artsen in de regio bleken niet zo maar opzij te schuiven, terwijl binnen de inmiddels gerealiseerde faculteit een belangrijk deel van de staf gewoon aanstuurde op een traditioneel academisch ziekenhuis. Ook in eigen huis was men doodsbenauwd straks slechts "blote voetendokters' te zullen afleveren, zoals sceptici in het land voorspelden. En dus staat er nu in de weilanden langs de snelweg naar Maastricht een gloednieuw academisch ziekenhuis, van alle gemakken voorzien.

    • Wammes Bos