Topschakers steeds jonger bij vroegste piek en beste jaar

ROTTERDAM, 7 NOV. De 49-jarige Bobby Fischer heeft na twee decennia afwezigheid aangetoond ook op gevorderde leeftijd nog goed te kunnen schaken. Hij zou, als de wereldschaakbond zijn gewonnen match tegen Boris Spasski had erkend, nu ongeveer op de dertigste plaats van de wereldranglijst staan. De Amerikaan versloeg Spasski (2560) met 10-5 bij vijftien remises, een score van 58 procent die hem een "prestatierating' van 2617 geeft. Dat is 38 punten minder dan Jan Timman (2665) en 173 punten minder dan wereldkampioen Gary Kasparov (2790). Toen Fischer in 1972 de wereldtitel veroverde had hij een rating van 2780.

Fischer speelde in Joegoslavië in een ongebruikelijk tempo - trager dan officieel - in een match met drie rustdagen per week. Bovendien liet juist de conditie van de tennissende en zwemmende Spasski het afweten. Die leed al snel aan allerlei lichamelijk kwaaltjes. Kasparov schat de sterkte van Fischer op 2600. Timman meent dat de Amerikaan tussen de 2500 en 2700 uitkomt: “Hij speelt nog niet op een constant niveau. Maar in sommige partijen heeft hij laten zien nog bijzonder sterk te zijn. Met name in de elfde en de vijfentwintigste.”

Het is de vraag in hoeverre Fischer door zijn leeftijd wordt gehinderd als hij het tegen jongere tegenstanders opneemt. Schaken op niveau kun je lang volhouden. Maar leeftijd heeft wel degelijk invloed op het prestatievermogen van een denksporter. Niet op talent, motivatie of zelfvertrouwen. Wel op ervaring en uithoudingsvermogen. Het inzicht groeit, maar de lichamelijke inspanning wordt zwaarder, het vermogen om na een partij te herstellen minder.

Schakers verschillen in dat opzicht niet veel van andere sporters, zegt professor A.D. De Groot, auteur van de klassieker "Het denken van de schaker'. “Een begaafde schaker speelt al goed op zijn zestiende. Zijn speelsterkte neemt toe tot hij ongeveer dertig is. Daarna nemen zijn prestaties af, omdat zijn lichamelijke uithoudingsvermogen en zijn snelheid van rekenen afnemen. De boekhouding van varianten in de partij wordt moeilijker voor het geheugen. De statistische curve van het prestatievermogen komt overeen met die in andere sporten. Alleen speelt bij schakers de lichamelijke factor een minder grote rol dan bij andere sporten, zodat de prestaties minder snel afnemen.”

De 41-jarige Timman is er van overtuigd dat de een schaker op zijn sterkst is tegen zijn veertigste. De Nederlander reikte dit jaar, net als in 1990, tot de finale van het kandidatentoernooi. Hij speelt in januari tegen Nigel Short om het recht Kasparov uit te dagen. Zijn vroegste piek - een plaats in de toptien van de wereld - beleefde Timman in 1978, toen hij 26 was.

Timman zegt maar met é en ding meer moeite te hebben dan vroeger: de spanning tijdens de partij. “Je zou denken dat je daar met meer ervaring beter tegen zou kunnen, maar dat blijkt niet waar te zijn.” Met zijn lichamelijk conditie heeft hij in het geheel geen problemen: “Je leert juist hoe je die in stand moet houden”.

Toch wijzen de statistische gegevens er op dat de schakers steeds jonger hun hoogtepunt bereiken. In "The psychology of chess' geven Hartston en Wason van een aantal topgrootmeesters hun vroegste piek en hun beste jaar. In beide reeksen zit sinds de jaren vijftig een dalende lijn. Zij geven voor Smyslov 24 en 36, voor Petrosjan 22 en 37, voor Spasski 19 en 32, voor Fischer 16 en 29. De vroegste top van Karpov lag op 19-jarige leeftijd en zijn sterkste jaar ergens tussen zijn 30ste en zijn 35ste. Kasparov, geboren in 1963, werd op zijn zeventiende grootmeester, stond een jaar later al eerste op de wereldranglijst en werd op zijn 22ste de jongste wereldkampioen ooit.

Een plausibele verklaring is dat het voor jonge talenten steeds gemakkelijker is om hun gebrek aan ervaring weg te werken. Het aantal toptoernooien is nu veel groter dan twintig jaar geleden. En de ontwikkelingen in de openingstheorie zijn eenvoudig te volgen in bijna wekelijks bijgewerkte computerbestanden. De tieners (Kamsky) en twintigers (Kasparov, Ivantsjoek, Anand en Adams) nestelen zich vroeg aan de top, maar sommige "oudjes' blijven het goed doen. Lasker speelde tot zijn 66ste op het hoogste niveau, Kortsjnoi had zijn beste jaar toen hij 47 was en de 71-jarige oud-wereldkampioen Smyslov bereikte vorige maand de laatste acht in het Interpolis-toernooi in Tilburg.

Veel schakers produceren als ze ouder worden, bij een zelfde aantal verliespartijen, méér remises en minder overwinningen. Ze verliezen hun motivatie en durven hun reputatie niet op het spel te zetten. Maar er zijn uitzonderingen. Timman zegt dat in zijn partijen juist veel vaker beslissingen vallen dan vroeger. De grote kracht van veteranen als Smyslov en de inmiddels overleden Tal, meent schaaktrainer Rob Brunia, is dat ze hun speelstijl hebben weten aan te passen.

In hun jeugd schaken veel talenten met ongelimiteerde energie. Iedere complicatie op het bord is welkom. Een speler als Ivantsjoek duikt met groot plezier in een onbekende wildernis van varianten. Veteranen spelen selectiever. Uit ervaring weten ze welk soort complicaties, welk speltype hun ligt. Doet de mogelijkheid zich voor dan spelen ze nog altijd scherp en gedurfd. Zoals Fischer in de elfde partij tegen Spasski.